Vloedlijn

‘Goedemorgen, waar is de tondeuze?’ Na drie invalbeurten achter de kassa van de kringloopwinkel ken ik haar inmiddels, een klein, tanig, vrouwtje, met geblondeerd haar waarvan de kuif door een flinke klodder gel rechtovereind piekt, helblauwe oogschaduw. En vrolijk en gevat. Leeftijd onbepaald, maar minstens zestig. Wel erg nerveus: ze kan geen moment stilstaan en trappelt als een merel die wormen zoekt de winkel door. Maar tondeuse? Verstond ik dat goed?  

‘Wat wil je met een tondeuse?’

‘Mijn haar zit niet goed”.

‘Je wilt het toch niet afscheren?’

De aandacht is al weer weg en ze dribbelt door naar het achterste gedeelte van de winkel met meubels. Ik verlies haar uit het oog en reken met andere klanten hun gevonden schatten af. Een mooie winterjas gaat voor drie euro naar een jongeman in een dun jackje. Hij neemt ook nog een klein tv-tje mee voor 5 euro. Opgeteld acht euro. Helaas weigert de pin-pas. “O, dan moet ik zeker de pincode intypen.” Ik maak hem duidelijk dat dat niet zal helpen: hij heeft onvoldoende saldo. Dan alleen de jas, en of we de tv apart kunnen zetten voor morgen. Dat kan natuurlijk.

Daar is de dribbelaar weer. Zou ze een tondeuze gevonden hebben? Nee, ze houdt een schilderij voor mijn neus. Een merkwaardig doek, een soort lichtweerspiegeling in het water. Een Rothko onder invloed. Ik pak het aan om het prijsje te zoeken. ‘Je houdt het op z’n kop dummie!’ Aha, ik zie het prijsje: 2,50 euro. ‘Zo, dat is een goede investering hoor, een masterpiece voor tweeënhalve euro!’

Ze reageert niet, maar ratelt me de oren van mijn hoofd over de invloed van wiet op je kijken, want het schilderij doet haar wel denken aan wat je ziet als je goed stoned bent. Zat ik er nog niet zover naast. ‘2,50 lieve schat’, zeg ik. Ze peutert één euro aan kleingeld bijeen. Jammer, dat is te weinig. ‘Én jij gaat mij zeker niet matsen hè’, ze priemt met een vinger naar me, ogen toegeknepen. ‘Dat heb je goed begrepen’, zeg ik, ‘ik ben onvermurwbaar. Maar ik kan het wel hier achter de kassa voor je bewaren tot eind van de dag.’ Ze blijft vrolijk, en betrekt mij in haar plan hoe ze gaat uitzoeken op welke wand het werk het beste tot zijn recht zal komen. We bedenken dat ze het gewoon op een stoel tegen de wand kan laten leunen, elke wand een paar dagen. Ze vertrekt, hiphiphip, iedereen vrolijk groetend. ‘Dagdag, dag lieve mensen’.

Geregeld stroomde er de afgelopen vijftig jaar weer een nieuw golfje over deze arbeidersbuurt: eerst migranten, daarna krakers, junkies, kunstenaars, toen studenten, en telkens bleef er wat achter in de vloedlijn. Om hier oud te worden. Meer, of soms wat minder geslaagd in het leven.

‘Die zien we nog wel terug,’ hoor ik een vrijwilliger in de kledinghoek halfluid mompelen. En dat klopt. Een uur later staat ze weer voor mijn neus: stralend. Met een twee eurostuk tussen duim en wijsvinger. Die knalt ze op de toonbank, kléng. En ze legt er 50 cent naast. ‘Zo meneertje, had je niet gedacht hè?!’ Ik leun voorover, met mijn ellebogen op de toonbank, en vraag: ‘Wie heb je hiervoor om je vinger gewonden?’ Ze buigt samenzweerderig naar me toe en fluistert: ‘Jan van de bloemenstal’. En barstte in schateren uit. Die Jan, de rust zelve. Al dertig jaar een vaste waarde in de buurt. Die begrijpt het. Hopelijk gaan die expats en marketeers die nu de wijk instromen het ook begrijpen.