Een droom in duigen

Morgen blijven de banken dicht in Griekenland. Het land loopt langs de financiële afgrond. Ik kan mij er geen voorstelling van maken wat het betekent als ze daar invallen. De banken gaan failliet en dan zitten de Grieken acuut zonder geld en kunnen zij geen levensmiddelen meer kopen. Dan hebben we een ontwikkelingsland met een primitieve ruileconomie binnen de Europese grenzen waar we massieve noodhulp aan moeten gaan verlenen. Er zal een exodus van Grieken naar de rest van Europa op gang komen, want er is wel vrij verkeer van personen. Dan kunnen we hier dus noodkampen voor Grieken gaan inrichten terwijl er vliegtuigen vol toeristen die kant op gaan. Met veel cash op zak want de betaalautomaten zijn leeg. Bizar.

Te bizar wellicht. Misschien voltrekt de ramp zich op een heel andere manier. Maar dat het een ramp wordt, is vrijwel onvermijdelijk. En we staan erbij en kijken er naar zonder met onze ogen te knipperen. Hoe kan dat? Hoe komt het dat mijn hoogbejaarde moeder zonder enige terughoudendheid de Grieken verwijt dat ze potverteerders zijn. Ze is er nog nooit geweest, zij kent geen enkele Griek, maar politici zijn er met de media zijn er in geslaagd een beeld van de Grieken neer te zetten dat er toe leidt dat we hen laten verrekken.

Natuurlijk kent Griekenland geen geoliede staatsmachine als Nederland of Duitsland. Juist daarom gaan we er graag heen: het tempo is laag. Mensen hebben er oog voor elkaar en laten zich niet opjagen door digitale agenda’s. Maar laten we niet vergeten dat Griekenland van 1965 tot 1975 nog een echte repressieve dictatuur kende. Toen de kolonels er de macht grepen moest Jeroen Dijsselbloem nog geboren worden.

Pas in 1975 – dat is nog heel kort geleden; laten we beseffen dat  die rechtse krachten nog aanwezig zijn –  ontworstelde Griekenland zich eraan. Maar we weten ook dat dat geen verschil maakte voor de Griekse cultuur van massale belastingontduiking – ooit als daad van verzet tegen de Turkse overheersers en net zo populair als smokkelen van boter en sigaretten in het Zeeuws-Vlaanderen van mijn jeugd –, die ging gewoon door. En weet ook dat scheepsmagnaten als Onassis daar even hard aan meededen als alle andere Grieken.

Toen Europa Griekenland in 1981 in haar gelederen opnam omdat het een politiek stabiele zuidoost-grens nodig had, heeft niemand daar een punt van gemaakt. Het was niet moeilijk geweest om experts in te vliegen om een fatsoenlijk kadastraal systeem op te zetten en de belastinginning op orde te brengen. Daar heeft Europa zeker dertig jaar de tijd voor gehad.

Hoe komt het dat we vergeten waarom we de Grieken erbij wilden hebben? Hoe komt dat we binnen Europa niet solidair – meer – zijn? Omdat de vrede te lang duurt? Omdat we ons niet meer kunnen voorstellen hoe fragiel een vrede kan zijn? Omdat we niet beseffen dat we in vrede leven zoals een vis niet weet wat water is?

Misschien ligt het simpeler, dichter bij huis. Bladdert de solidariteit af omdat we iets te verliezen hebben. In landen met een grote middenklasse ontstaan geen revoluties. Een eigen huis, een auto en een caravan of de vakantie naar Thailand zijn zekerheden die mensen toch niet kwijt willen.

Afgelopen vrijdag sprak ik met een Noorse journalist over de “fietsrevolutie” van de jaren zeventig en tachtig. Hoe komt Nederland aan zo’n uitgebreide stelsel van fietspaden? Ik probeerde hem uit te leggen hoe in de tijd alles in elkaar greep: er kwamen 3500 mensen om in het verkeer elk jaar. 800 kinderen op weg van huis naar school. Daar werd actie tegen gevoerd, door ouders, maar ook door Provo. Het anti-materialisme van de naoorlogse generatie richtte zich bewust of onbewust op al die zaken waar de wederopbouwgeneratie voor stond: het materialisme van “elke arbeider een auto”, maar ook al tegen milieuvervuiling en tegen aantasting van historische steden. Het Witte Fietsenplan combineerde dat alles in een uiterst simpel concept. Maar er was ook internationale solidariteit. Er werden stedenbanden gesmeed. Er vond uitwisseling plaats met zuidelijk Afrika, midden en Zuid-Amerika.

De verbeelding was aan de macht. Maar ook die protestgeneratie kreeg het uiteindelijk goed, en het bekende motto “wie jong is, en niet links, heeft geen hart; wie oud is en niet rechts heeft geen verstand” lijkt op te gaan. Maar dat betekent ook het eind aan de droom van een solidair Europa. Het eigenbelang prevaleert. En daarmee ontbreekt de moed om te investeren in die droom, en is er geen staatsman of – vrouw meer met een visie op die droom en brokkelt het bouwwerk af onder de druk van benepen smal eigenbelang.

Dat we geen grote idealen meer moeten koesteren, geen grote ideologieën meer moeten opbouwen waar “de nieuwe mensen” uit voort moet komen, weten we inmiddels wel. Dat heeft tot rampen geleid. Maar nu voltrekt zich een ramp – we staan erbij en kijken ernaar – omdat niemand meer over een gedeelde meeslepende visie beschikt, een stip aan de horizon waar we heen moeten als rijke wereldmacht, en overheerst het mechanismen van buitensluiten: wie een bedreiging kan zijn moet oprotten. Of het nu gaat om het grote plaatje van Europa, of om de vluchtelingen die op wrakke bootjes over zee onze kant op vluchten, of om de buurten waar die vluchtelingen terecht komen.

Hoe komt het toch dat we als konijntjes in de koplampen kijken?