Categorie archief: Zelfredzaamheid

Beeldtaal (2)

Misschien komen we er in dit tijdperk van het beeld, aangejaagd door social media, achter dat taal, en denken in woorden, zwaar overschat is. Of wellicht beter: dat de kracht van beeldtaal zwaar onderschat is.

In zijn laatste boek Vrouw graaft de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård diep in de biografie van Hitler en verklaart zijn succes niet uit de rijkdom in taal, zijn beruchte speeches, integendeel, maar uit zijn vermogen om de beeldtaal van het militarisme in al zijn facetten te introduceren in het publieke domein om het Duitse volk in tijden van volstrekte armoe, wanhoop en verwarring na de eerste Wereldoorlog weer een houvast voor identiteitsvorming te geven. Vaandels, uniformen, marsen, insignes, vlaggen, parades, marcherende soldaten. Dat werkte. En hoe.

In heel korte tijd ontwikkelde zich in Duitsland een heel nieuwe ideologie, oude kaders gingen ongemerkt overboord. In een paar stappen werd met krachtige beeldtaal een waanzinnige energie opgewekt die niet alleen zorgde voor een economisch wonder, maar tegelijkertijd het fundament legde voor een volstrekt a-historische vernietigingsideologie. In ruim jaar tijd kostte dat 70 miljoen mensen het leven. Zo krachtig kunnen beelden zijn. Mits goed getimed en op een juiste voedingsbodem uitgestort.

Hoger opgeleiden gebruiken taal, woorden, om situaties te beschrijven, te analyseren, doorgronden, om via een rationeel stappenplan tot oplossingen te komen. Taal waar je geen grip op krijgt als je er niet in bent getraind. Deze week zette ik de radio aan en viel midden in een gesprek in volstrekt abstracte taal over doelen, resultaten, verbeteringen, tegenslagen vermengd met nog wat Engels managementjargon zonder dat duidelijk werd waar het over ging. Na tien minuten afgesloten met een “en dan nu terug naar de studio” zonder enige uitleg. Misschien was het over de nieuwe strategie van de nationale zwemploeg, maar voor hetzelfde geld over de marktpositie van KPN.

Het is dus niet verwonderlijk dat mensen met minder training hun eigen waarheid zoeken op facebook. In beelden, filmpjes. En zich laten leiden door de daar gepresenteerde “waarheden”. Vroeger zeiden we dat mensen de verkeerde krant lazen als ze de wereld onveilig vonden. Nu noemen we dat onze “informatiebubble”: je zoekgedrag modelleert je profiel bij Google en Facebook zodat hun zoekmachines razendsnel de informatie die bij jou past van het worldwideweb voor je selecteren en aan je voorschotelen. Ongeacht de betrouwbaarheid ervan. En juist omdat die informatie goed aansluit bij je verwachtingen neemt de geloofwaardigheid ervan enorm toe. Overigens: dit mechanisme trekt zich niets aan van opleidingsniveau. Iedereen laat zich leiden door alle informatie die met zijn of haar wereldbeeld spoort.

Deze week mocht ik een sessie bijwonen van de Belgische publicist Leo Bormans over geluk. Hij schreef het World Book of Happiness. Geen zweverigheid zoals in Happinezz, maar alles stevig onderbouwd met onderzoek wat helpt en wat niet, voor wie geluk nastreeft. Hij voert vooral campagne vóór medemenselijkheid en tegen alles wat over ons uitgestort wordt als gelukkig makend van Happy Meals tot all inclusive vakanties: het misverstand van materialisme.

Hij toonde onder meer een verpletterende hoeveelheid merken en logo’s die alle op een smiley leken. Van Danone tot Nike. Vrolijk stemmende merken omdat ze een glimlach in zich dragen. Die de weg effenen om een product te kopen. Hij liet zien hoe we onbewust worden voorbereid op aankopen, hoe onze ratio daar niets tegenin te brengen heeft. Hoe onze gemakzuchtige brein het altijd wint van ons vermogen tot diepere analyse. Lees ook Ons Feilbare Denken van Daniel Kahneman. Die legt uit dat die analytische manier van denken heel veel energie kost en dat we voor heel veel dagdagelijkse zaken kiezen voor routine, gemakzuchtig en daarmee zelf de val van de onbewuste verleiders wagenwijd openzetten.

We focussen op het beeld. We laten ons leiden door de close ups van de gezichtsuitdrukkingen van rolmodellen in reclames. Gezichten lezen kunnen we erg goed. En daarnaast zijn we graag onderdeel van een groep gelijkgezinden. Zelfs als we ons niet willen conformeren aan mainstream. Ook nonconformisten zoeken het liefst andere nonconformisten op. En passen ons uiterlijk, onze manier van leven aan aan het beeld van gelijkgezinden.

Taal lijkt daarbij meer en meer decor, achtergrondruis. We luisteren heel erg slecht. Beelden kun je niet negeren. Wij maken keuzes op basis van beeld en pikken daarna uit de begeleidende tekst wat ons in ons kraam te pas komt. De rest negeren we. Daarom komt Trump weg met racistische en seksistische uitlatingen. Zijn kiezers kiezen hem vanwege zijn stevige uitstraling, zijn agressieve toon. Boze mensen kiezen een boze man.

Zoals we allemaal ons leven afstemmen op de rolmodellen die we via reclame en magazines krijgen aangereikt, we maken allemaal dezelfde maaltijden uit de Allerhande of uit de kant-en-klare doos van WeFresh. We richten onze huizen en levens in volgens de lifestyle-bladen en machtigen bedrijven om het geld voor aankopen van onze bankrekening te halen.

Over enkele jaren stuurt Zalando ons ongevraagd de schoenen of de broek waar we net aan dachten – zoals bleek uit ons surfgedrag – en Bol.com een koolmonoxide detector nadat we onze zolderkamer op Airb&B te huur hebben gezet. En het aankoopbedrag wordt vast afgeboekt. Handig toch?

Volgende maand verder.

De boze burger: exoot of nobele wilde? (2)

Na les 1 vorige week over het DNA van de boze burger nu twee lessen!  

Terug naar de boze burger en doe-het-zelf-democratie. Een vriend van mij klom op van sjouwer op de groenteveiling tot wethouder. Met niet veel meer dan lagere school leerde hij bij via een deeltijdopleiding Opbouwwerk op de sociale academie, en heeft daarna als wethouder in zijn gemeente heel veel betekend voor de wijken waar hij zich druk om maakte; de wijken waar de mensen met weinig kansen woonden. Hij bleef zichzelf, sprak de taal van de mensen waar hij voor op kwam, maar verheerlijkte hen niet. Als het moest wees hij hen terecht én hield hij ook vurig pleidooi van een stevige portie sociaal werk in de wijken. Niks doe-het-zelf-geneuzel.

Wat de afgelopen twintig jaar wel veranderd is, is dat juist de sociale klimmers geen opbouwwerker meer worden, maar kiezen voor carrière met meer verdiensten, weg van de neerwaartse zuigkracht van de volkswijk. In de plaats daarvan komen middenklasse types de wijk in met een paternalistische boodschap dat de bewoners er verkeerd eten, teveel drinken, voor hun buren moeten zorgen en hun eigen groenten moeten gaan kweken. Dat sluit niet helemaal aan bij het DNA van de wijk om het eufemistisch te zeggen. Daar kunnen die bewoners best link over worden.

Les 2: Boosheid heeft zijn wortels in bevoogding.

Dat wil niet zeggen dat de wijk het allemaal zelf kan. Toename van criminaliteit in de Friese volkswijk (zie Volkskrant van 23-04) wordt even gemakzuchtig gebagatelliseerd door de wijkraadsvoorzitter als de ministers doen met meer verkeersdoden en minder studenten. Terecht dat de wethouder nog eens op zijn hoofd krabt als de wijk de verantwoordelijkheid voor de zorg en de openbare orde naar zich toe wil trekken. Maar dat de wijk het laagste punt is waar veel ellende als vanzelf naar toestroomt klopt wel. Het zijn de wijken waar er flinke doorstroom is op de woningmarkt, de huizen klein, de huren laag en er dus snel een woning te vergeven valt aan woningzoekenden die uit de maatschappelijke opvang of detentie komen. Als je er niet woont of dagelijks komt, dringt niet gemakkelijk door wat dat betekent voor een wijk. Dat de handen van de achterblijvers dan gaan jeuken om het “op onze manier te doen” is begrijpelijk. Dat is dan weer een vorm van Doe-het-zelf-democratie zoals het weer niet bedoeld is. Zeg het maar: mogen de bewoners het wel of niet zelf doen? Of mogen ze alleen dat stuk zelf doen dat teveel geld kost: de billen wassen van de demente buurman?

Les 3: Boosheid heeft zijn wortels in ontkenning door autoriteiten van problemen.

De boze burger: exoot of nobele wilde

“De boze burger is de vervolmaking van de democratie. Hij doet het alleen wel op zíjn manier.” Mijn gesprekspartner doet vrij luchtig over alle boosheid in de samenleving. Wij lopen samen van mijn kantoor in een buurt met vrij veel boze burgers naar een afspraak. We passeren de Prijzenmepper, een Turkse döner-bakker, de Lidl-supermarkt. Ik vertel hem dat ik onlangs het begrip De Boze Burger op een onderzoeksagenda had zien staan. De Boze Burger als onderzoeksobject. Zelf heb ik ook de behoefte om het dna van de boze burger te ontcijferen, vooral om te weten welke interventies om deze buurten op te stoten in de vaart der volkeren niét werken. Want de boosheid komt vaak tot uitdrukking op wijkvergaderingen waarin goedbedoelende professionals de zoveelste boodschap komen uitventen.

In de Volkskrant dit weekend een schets van een vergelijkbare wijk in Leeuwarden en hoe wijkbewoners daar zelf het initiatief naar zich toe proberen te trekken, met medewerking van de gemeente, maar ook wel met aarzelingen. Je proeft bij de journalist de sympathie voor de zelfbenoemde opbouwwerkster, zelf opgegroeid in de wijk, door studie ontsnapt aan haar milieu maar nu weer teruggekeerd om zelf de hand aan de ploeg te slaan. Doe-het-zelf-democratie moet het zijn. En al die bemoeizuchtige professionals moeten hun biezen pakken en de overheid kan zeker beter op afstand blijven.

Ik aarzel. De one-liners-cultuur leidt ook tot risico’s op versimpeling. De opbouwwerkster in kwestie is immers een heel grote uitzondering. Deze week een thema-nummer van de Groene over de toename van de kloof tussen hoog- en laagopgeleid. Sociale klimmers zoals die opbouwwerkster worden niet alleen zeldzamer, als het ze lukt te gaan studeren, dan is het niet vanzelfsprekend dat ze zich inzetten voor de “achterblijvers”, die boze burgers. Mocht je als kansarme er in slagen om de overstap te maken naar de wereld van de kansrijken, dan is het opbreken van je carrière als jurist in het bedrijfsleven sterk afwijkend. Daar kun je geen beleid op funderen.

Om te beginnen met de eerste ontrafeling van dat boosheids-dna: deze week kreeg ik zelf erge last van boosheid. Twee berichten: in 2015 vielen er 20 doden meer in het verkeer, en kinderen uit laagopgeleide milieus gingen veel minder vaak studeren. Het eerste bericht is een schoolvoorbeeld van politieke arrogantie. Die 20 doden meer vielen precies op die trajecten waar de maximum snelheid was verhoogd tot 130 km per uur. Dûh!  Maar de minister was niet onder de indruk: ze gaat stug door. Nadat 30 jaar lang de verkeersveiligheid enorm toenam, jaar in jaar uit, schrikt ze niet van deze trendbreuk in statistiek. Terwijl alle deskundigen dit effect precies zo hadden voorspeld. 20 doden extra per jaar! 20 families in diepe rouw, verscheurd door verdriet worden ontkend opdat we het gaspedaal maar dieper mogen intrappen voor drie minuten tijdwinst van Amsterdam naar Den Bosch. Daar kan ik heel erg boos over worden.

Ook om boos over te worden: 8000 middelbare scholieren minder dan voorgaande jaren begonnen aan een studie. Oorzaak: de invoering van het leenstelsel in de studiefinanciering. Ook de minister die dit had bedacht gaf geen krimp: het zou de luwte na een soort boeggolf zijn omdat het jaar ervoor scholieren géén tussenjaar namen om nog te profiteren van de “gratis” studiefinanciering. Dat dit één van de vele losgeschoten treden is van de trap waarop mensen maatschappelijk konden opklimmen dringt niet door. Twee keer boos in één week: slecht voor de gezondheid.

Als we smalen over de “fact free politics’ van Trump, mogen we de hand ook in eigen nationale boezem steken. Ministers die alle goed gefundeerde waarschuwingen van experts in de wind slaan en de uitkomsten van onderzoeken naar de effecten onmiddellijk bagatelliseren zijn het bewijs dat die fact free politics ook bij ons vaste voet aan de grond heeft gekregen.

Les 1. Boosheid heeft zijn wortels in niet serieus genomen worden.

Volgende week verder.

Meten is weten, toch?

jesse klaver 2Twee blogs terug wierp ik de vraag op of de burger zelfredzamer zou willen zijn. De overheid wil dat graag, want als mensen – langer – hun eigen broek op kunnen houden, dan kun je mogelijk besparen op zorgkosten. Maar is de mens die streeft naar zelfontplooiing en autonomie niet een mythe? In mijn dagelijks werk dringt die vraag zich op als medewerkers burgers ondersteunen die in de problemen zijn gekomen. Die problemen moeten weliswaar opgelost worden, maar die burger heeft het liefst dat een ander dat voor hen doet. Of anders die burger aan de hand neemt door het woud van regels en regelingen.

Uiteraard kloppen mensen die zeer zelfredzaam zijn niet bij ons aan, dus dat geeft een vertekend beeld. Maar duidelijk is dat nog heel veel mensen liever gezegd krijgen wat ze moeten doen, stap voor stap, dan zelf aan de slag te gaan. Deels omdat de wereld  tamelijk complex geworden is en het niet iedereen is gegeven om dat te begrijpen. Maar deels ook omdat het altijd zo gegaan is. Mensen die van hulp van anderen afhankelijk zijn, zijn ermee opgevoed dat anderen voor hen bepalen wat er moet gebeuren. Toch vinden we dat iedereen veel meer zijn eigen boontjes moet kunnen doppen.

Het paradoxale is dat we het met een andere pet op heel normaal vinden dat we voor mensen hun toekomst uitstippelen. Werkgevers laten medewerkers die vast dreigen te lopen een assessment doen. Net als bij sommige vacatures. Dat is een hele bedrijfstak geworden: Human Resource Management. Het menselijk vermogen zo efficiënt mogelijk inzetten. Bij een assessment word je door psychologen binnenstebuiten gekeerd en krijg je een keurig verslag hoe je in elkaar zit, waar je kracht zit en waar je zwakte. En of je wel of niet in een bepaald profiel voor een functie past.

Waar het ongemak zit is de trend om steeds meer over te schakelen op zelfsturing van medewerkers. Niet iedereen past in het profiel van zo’n medewerker om met een grote mate van vrijheid zelf het werk te organiseren. “Zeg me maar wat ik moet doen, en dan doe ik het wel.” En vaak ook goed. Toch willen we meer zelfsturing. Dat verhoogt de flexibiliteit, de organisatie wordt wendbaarder en kan sneller reageren op maatschappelijke ontwikkelingen. Net als bij die zelfredzame burger.

Kortom, het schuurt een beetje, die druk naar meer zelfsturing. We vinden aan de ene kant dat iedereen dat zou moeten kunnen. Sterker nog: mensen zouden er heel erg blij van worden. Maar aan de andere kant hebben we een hele batterij psychologen die mensen doorlichten en dan concluderen dat niet iedereen daar geschikt voor is.

Het beeld van die zelfredzame burger is een soort nabeeld van het min of meer romantische mensbeeld van het IK-tijdperk waarbij iedereen streefde naar zelfverwerkelijking. Tegelijkertijd testen en screenen we mensen om goed te kunnen bepalen in welk vakje ze het beste passen. Mogelijk dat je dan in dat vakje tot zelfverwerkelijking komt, maar dat voelt toch een beetje  schraal.

Dat screenen, en testen van mensen begint tegenwoordig al heel vroeg. Soms al op de peuterspeelzaal, maar zeker in groep 1. Met testjes die onafhankelijk van de opvattingen van de leerkracht de sterke en zwakke kanten van leerlingen boven halen. Aan het eind van de basisschool heb je nog amper een Cito-test nodig. Het voortgezet onderwijs is daarna in feite één doorlopend testlab. Elke stap in een bepaalde beroeps- of studierichting komt voort uit de voorgaande resultaten. Lastig voor leerlingen met een heel brede belangstelling, maar de meesten stromen door naar beroepsonderwijs of studie waar zij precies in passen. Zelf kiezen is er in feite helemaal niet bij. School, ouders en testende adviesbureaus stippelen je toekomst uit.

Natuurlijk is het heel fijn als door dat doorlopende testen en toetsen talenten van leerlingen tijdig worden opgemerkt en school- of beroepskeuze niet bepaald wordt door het vooroordeel van leerkrachten op basis van het milieu, het beroep of de herkomst van de ouders. Vooral voor kinderen van laagopgeleide ouders die geen verstand hebben van het vervolgonderwijs is dat een zegen.

De tijd dat arbeiderskinderen per definitie in het voetspoor van hun ouders traden is – in principe –  voorbij. Hoewel het natuurlijk wel opvallend is dat het gros van de antenkinderen toch op het VMBO terecht komt. Misschien is dat nog een onvolkomenheid? In ieder geval vindt Aleid Truijens in de Volkskrant dat Jesse Klaver het onderwijs onrecht aan doet als hij pleit voor minder testen en toetsen. Want, zo stelt zij: als de jonge Jesse op school, als kind van een werkende alleenstaande moeders half-Indisch, half-Marokkaans, beter was getest, dan was hij mogelijk de econoom geweest die hij nu zo hard naast zich nodig heeft. Want hoewel zijn pleidooi tegen economisme misschien hout snijdt, hij kan het niet hard maken.

Het is de vraag of Jesse kansen gemist heeft door zijn achtergrond. Weliswaar heeft hij de lange route van de sociaal klimmer gevolgd, maar uiteindelijk de hogeschool afgerond en zelfs nog een jaar politicologie gestudeerd. Dat had ook economie kunnen zijn, en mogelijk had hij dat af kunnen maken. Maar hij koos voor de politiek. En doet dat als jongste fractievoorzitter ooit niet slecht. Toch?

Maar stel dat hij gedurende zijn schoolloopbaan wel beter was getest en getoetst en zo stap voor stap naar de opleiding doorgeleid die naadloos paste bij zijn talenten. Heel misschien was hij dan de econoom geweest die Truijens zo node mist aan de zijde van Jesse. Zouden we dan geen kleurrijke en charmante politicus hebben gemist aan de zijde van die wellicht wat saaie econoom?  Want Jesse is Jesse door zijn levensloop. Misschien wel gegroeid tegen de verdrukking in. De biografieën van heel veel sociale klimmers ziet er zo uit: Aboutaleb, Marcouch.

Ik pleit niet voor een verkapt sociaal darwinisme waar door strijd de sterksten komen bovendrijven. Maar een sterke geleiding door permanente testen zodat mensen via de kortste route in het meest geschikte vakje terecht komen voelt ook niet goed. Mensen moeten fouten kunnen maken, vergissingen. Ze moeten kunnen stapelen als de instap in hoger onderwijs griezelig voelt omdat niemand in de familie een hogeschool of universiteit van binnen heeft gezien.

De efficiency in het onderwijs met zijn enorme studiedruk, de keuze voor een beroep of profiel op heel jonge leeftijd waar je amper meer van af kunt wijken zonder kostbare studietijd te verliezen vergen inderdaad een heel goede ondersteuning van leerlingen hierin. Dus testen en nog eens testen. Maar dan was Jesse niet de huidige Jesse geweest. Misschien wel econoom, maar mogelijk een kleurloze universiteitsdocent en niet de inspirerende jonge hond van nu.