Categorie archief: Uitsluiting

De boze burger: exoot of nobele wilde (4)

vondelstraatrellenDrie weken geleden kondigde ik een kleine denkpauze aan om tot een conclusies te komen over het DNA van de boze burger. Inmiddels heb ik er drie weken over na kunnen denken. Maar ik ben er nog niet uit. De Boze Burger wegzetten als een rancuneuze kleinburger is te makkelijk.

Alles conclusies op een rijtje over het DNA van de boze burger tot nu toe:

1. Boosheid heeft zijn wortels in niet serieus genomen worden.
2: Boosheid heeft zijn wortels in bevoogding.
3: Boosheid heeft zijn wortels in ontkenning door autoriteiten van problemen.
4. Boosheid heeft zijn wortels in een gevoel van in de steek gelaten voelen.
5: Boosheid heeft zijn wortels in een gevoel van onrechtvaardigheid.

Deze week nog een extra verdiepend inzicht door twee synchroon lopende gebeurtenissen: de woedegolf op Facebook over toetreden tot DENK door Sylvana Simons, en de boosheid over de vroege zomerstop van Pauw zonder vervanging door Jinek of Knevel en Van de Brink.

De Volkskrant ontrafelde de regie achter de woedegolf over Simons: strak geregisseerd door twee ervaren Facebookers die als een rechtse Gideonsbende veel galm veroorzaken en daarmee de suggestie wekken dat er een grote volksmeute achter die woede zit. Zij triggeren uiteraard wel de latente woede op een geraffineerde manier en zijn daarmee de boekhouders van de woede zoals Peter Sloterdijk dat in zijn boek Woede en Tijd goed uitlegt. Maar het is de vraag of daar het probleem zit.

Volgens mij zit dat op een heel ander niveau. Zowel Rutte als Asscher proberen vanuit leiderschap de reactie op Simons te veroordelen, maar juist in de reacties daarop zie je waar de schoen wringt: de politiek elite heeft zijn autoriteit verloren. Het tafereel is spiegelbeeldig aan de reacties op Provo en later de krakers op de regenteske reacties zoals van burgemeesters als Van Hall en daarna notabene Polak. Een foto van de ravage na de Vondelstraatrellen geeft de sfeer van een veldslag weer waarbij de woede-uitbarstingen op social media klein bier zijn. Daar ligt de kiem in het ont-autoriseren van de politieke élite.

Tegelijk worden de politieke spelregels herschreven. Eén van de kroonjuwelen van D66, het referendum, wordt dynamiet in handen van zo’n Gideonsbende. Ik sprak deze week nog verontwaardigde raadsleden over een actie van een oppositiepartij in hun gemeente die haar beperkte invloed in de gemeenteraad gaat compenseren met een referendum. Uiteraard met een U-bocht van een comité van boze burgers. Maar even goed spelvervuiling om een volksraadpleging te organiseren als je je zin niet krijgt in de volksvertegenwoordiging. Het idee achter het referendum dat burgers rationele wezens zijn die weloverwogen op basis van inhoud stemmen kan bijgezet in de Museum van Naïviteit.

Mensen zijn intuïtieve, emotionele wezens. Zij beoordelen leiders op basis van gedrag, hoe zij kijken, gebaren. Natuurlijk helpt duiding door experts daarbij. De boosheid over de lange zomerstop van de praatprogramma’s geeft aan dat mensen daar behoefte aan hebben. Columnisten in de krant schrijven daar met opvallend veel dédain over. Dat de beter opgeleide burger een programma als Pauw nodig heeft om tot een opvatting te komen wekt hun verbazing: daar is de krant toch voor? Gedeeltelijk: maar televisie maakt het mogelijk om alle non-verbale communicatie waar te nemen. Dat lukt een krant echt niet. De krant is taal. En journalisten overschatten de kracht van taal en onderschatten de kracht van beeld. Dat deze programma’s juist door de wisselwerking tussen de gasten de duiding bevorderen – op een heel efficiënte manier: binnen een half uur observeren van het gedrag aan tafel bij Pauw weet je het wel zo’n beetje – legt twee zaken bloot: mensen hébben behoefte aan duiding, aan gidsen. En dat voor de minder hoog opgeleiden een dergelijke duiding compleet ontbreekt ontgaat blijkbaar iedereen. Humberto Tan draait de hele zomer door, maar wordt niet genoemd als alternatief. Hoge kijkcijfers, maar politiek niet van belang.

Opvallend is hier dus ook de omkering: waren tot begin jaren zeventig politiek leiders als Den Uyl juist de gidsen voor de groepen zie zowel hoog als laag op de maatschappelijke ladder stonden, nu zijn deze leiders de gidsen enkel voor de hoger opgeleide burgers en zijn de mensen voor wie de horizon wat dichterbij is en minder overzicht hebben over de ontwikkelingen in de wereld aangewezen op Facebook waar meningen verward worden met feiten. Sterker nog, met hun veroordelingen versterken Rutte en Asscher de kloof tussen “hoog” en “laag”.

Hoe dan wel? Ten eerste is het niet moeilijk om de polarisatie nog verder op te voeren. De verleiding is ook groot. Plat racisme mag immers niet onweersproken blijven. Maar besef dat je dan weggezet wordt als Gutmensch wat een verdere tweedeling triggert: precies waar de boekhouders van de woede op uit zijn.  Kortom: een doolhof van dilemma’s.

Daarom deze week nog geen conclusie, laat staan “oplossing”. Maar een zesde les:

6. Boosheid heeft zijn wortels in ontbreken van vertrouwde gidsen die hoog en laag met elkaar kunnen verbinden.

Barabas!

A6-voorkantNa veertig jaar was het of het stof van het lijdensverhaal werd afgeblazen. Een bomvolle Westerkerk luisterde naar de uitvoering door het Amsterdams Studentenkoor. Niet eerder hoorde ik hoe het intens verdrietige Erbarme dich omkringeld werd door een viool die meeging in het klagen, maar tegelijkertijd ook een ondertoon van hoop in zich had. Alleen de soliste en de violist vulden met hun stem en de viool de hele ruimte in een trage muzikale dans waarin klagen en troost om beurten het voortouw namen.

Als kind heb ik het lijdensverhaal met de paplepel ingegoten gekregen. Elk detail van dit verhaal kende ik, uitentreuren. Van het laatste avondmaal tot aan de wederopstanding, met alle verraad en lijden erbij. Overdaad schaadt: het kon mij niet meer boeien. Natuurlijk zong ik als kind Oh hoofd bedekt met wonden mee, maar mij werkelijk verplaatsen in een lijdende Christus, dat bracht ik niet op. De hele intrige kwam mij erg gekunsteld over: een zoon van god die mens wordt, daarna wordt gemarteld en daaraan overlijdt, maar na drie dagen weer rondloopt en uiteindelijk opstijgt naar de hemel. En door dat lijden de last van onze zonden wegneemt. Hoe zo? Het lijden was toch niet verdwenen uit de wereld? En die hemel: waar kon ik vinden dat we daar daadwerkelijk heen zouden gaan?

Maar nu, met een scherp en helder articulerende evangelist die het publiek meenam langs elke gebeurtenis, zag ik niet alleen hoe filmisch het verhaal is, maar ook actueel. Hoe scene na scene in de aanloop naar de kruisiging Jezus de hele film al gevisualiseerd had, wist waar en wanneer Judas en Petrus hem gingen verraden. Hij zag er als een berg tegenop. Dramatisch ijzersterk. Want het is het verhaal van onze eigen dood, uiteindelijk. Die voorkennis hebben wij net als Jezus: ook wij gaan sterven. Daarmee is het lijdensverhaal ons eigen verhaal. Erbarme dich is in feite een geoorloofd zelfmedelijden. Van Bach mogen we huilen om ons lot, en hij troost ons ook meteen met hemelse muziek.

Maar wat mij vooral treft zijn de scenes waarin het koor eerst roept dat Barabas in plaats van Jezus moet worden vrijgelaten en daarna dat Jezus gekruisigd moet worden. Het is geen boos koor, geen woedende menigte, maar eerder een enthousiaste meute die geniet van de macht die Pilatus hen toebedeelt. Ik let op de gezichten van koorleden. “Zegt ’t maar”, zegt Pilatus: “Ik zie geen kwaad in deze man, maar zeg ’t zelf maar.” Dat laat het volk zich geen twee keer zeggen. De ogen van de koorleden staan fel, het lijkt een tribune van fans van de winnende partij in een stadion. Ik schrik er bijna van hoe sterk de toon en het beeld overeenkomt met de beelden van de schreeuwers van “AZC weg mee”. Bach moet meegemaakt hebben hoe een opgewonden menigte zich gedraagt, welke toon daarbij hoort. Het triomfantelijke van de woede van een meute die macht ruikt en wil afrekenen.

In de Mattheus trekken de aanstichters van de kruisiging zich uiteindelijk de haren uit hoofd als ze zich realiseren – door het scheuren van een groot gordijn in de tempel, zes uur duisternis, flinke aardbevingen en een optocht van levende doden – wat zij hebben gedaan: niets minder dan God gedood. Zo’n afloop kent alleen een goede film met God zelf in de hoofdrol.

Het lastige is dat God het niet meer voor het zeggen heeft. Ook niet als hij Allah heet. De ooit almachtige legt het af tegen criminelen die zich met bommen een sluiproute naar het paradijs banen, tegen rücksichtsloze mensensmokkelaars, tegen vreemdelingenhaat, tegen drenkelingen, tegen prikkeldraad. Alleen een schrijver van het niveau van Shakespeare zou uit de voeten kunnen met de hedendaagse weerbarstige werkelijkheid. Wie is Judas, wie is Petrus, wie is Pilatus, wie zijn daders, wie worden geofferd? En vooral: welke rol spelen wij zelf? Toeschouwers zijn wij, machteloze toeschouwers.

Het minste wat we kunnen doen is de vluchtelingen die hier aankomen goed opvangen. Vrijwel elk dag zie ik in wijkcentra vrijwilligers met kleine groepjes Syriërs, Iraniërs, Afghanen aan de slag om Nederlands te leren. In het grote drama is dat een heel nederige rol. Toch is het toch erg belangrijk om het optimisme en het geloof in de toekomst vast te houden. Bach had daar geen noot aan gewijd. Eeuwige roem verwerf je er niet mee. Maar die eeuwigheid nam ik toch al met een korrel zout.

 

Helden en slachtoffers, deel 3

g88b_HansBrinkerHet kan nog een jaartje duren, maar de soap rond de Hedwige is nog niet afgelopen. Er valt formeel niet meer te ontsnappen aan het definitieve besluit tot ontpolderen, maar als dat valt zal de tegenbeweging weer op gang komen. Het is een loepzuiver voorbeeld hoe je als bestuurder bij voorbaat op achterstand kunt staan bij wat in het Duits zo treffend Gesundenes Volksempfinden heet. Zeker als een kleine Gideonsbende met mediawind in de zeilen de zaak nog eens breed kan uitspinnen. De media opereren met de wetten van het heldenepos in de hand; om de lezer het verhaal in te trekken heb je tegenstellingen nodig: wie is de held, wie zijn de slachtoffers, wie is de schurk en wie complotteert tegen wie?

Iconische slachtoffers zijn kinderen, ouderen, gehandicapten, dieren. Maar wat nieuw lijkt, is dat we die kwetsbaarheid op weerbare groepen gaan projecteren. Niet de trekvogels, maar de boeren zijn de nieuwe slachtoffers. Niet de vluchtelingen, maar de burgers van de gemeenten waar de noodopvang komt, niet de Oekraïners die meer democratie willen in plaats van corruptie, maar mondige weerbare Nederlanders. Een opvallende kanteling van kwetsbaar naar het Dikke Ik. En door de wederzijdse afhankelijkheid van actievoerders en media hebben die Dikke Ikken, de verontwaardigde burgers die zich bedreigd voelen, ineens wind mee.

Als Jan Roos suggereert dat onze kleine polder bedreigd wordt door een verdrag van Europa met Oekraïne, dan past dat exact in het frame van het heldenepos. Een kleine dappere matroos, die als een Hansje Brinker zijn duim in het gat van onze dijk steekt en verhoedt dat nog meer ellende van ver weg ons land binnen stroomt, is de gedroomde held. Iedereen die zijn vingers naar hem uitsteekt verliest bij voorbaat.

Daarmee ben ik nog geen fan van de voorstanders van het verdrag. Als Juncker met hel en verdoemenis dreigt als het verdrag met Oekraïne schipbreuk leidt, begrijp ik de tegenstemmers wel. Bestuurders die nog steeds niet begrijpen dat je aan het kortste eind trekt als je niet tijdig met burgers communiceert zijn een groter risico dan Jan Roos omdat zij hem daarmee een podium bieden.

Lastig is dat in alle tumult de vraag wie de werkelijk kwetsbare is uit het zicht verdwijnt nu we meer en meer gefocust raken op het “eigene”. De aandacht voor het kleinschalige, ambachtelijke verschuift met een tussenstap via het authentieke en oorspronkelijke naar “eigen soort”. Solidariteit verdampt. Je kunt niet met de hele wereld solidair zijn, wel met de buren. En de buren van de buren. We zetten een hek om de groep heen waar we ons mee verwant voelen en sluiten in één beweging anderen buiten.

En jazeker: de creativiteit zit nu op rechts. Dat valt niet te ontkennen. Maar griezelig is het wel: Pegida die goochelt met een hakenkruis op een spandoek. Mutsen inde vorm van varkenskoppen. Er werden vergelijkingen getrokken met de ludieke acties van Provo die demonstreerde met blanco spandoeken en rozijnen uitdeelde. Het fundamentele verschil is dat Provo actie voerde tegen de bestuurlijke élite en Pegida kwetsbare groepen beledigt.

Daarmee wordt het lastig om een participatiesamenleving te bouwen waar die wellicht wat ouderwetse solidariteit zo nodig is. Omzien naar elkaar in plaats met grote bekken tegenover elkaar te staan: wie zet de eerste stap om de hekken rond de eigen groepjes af te breken?  

De wereld via een kijkgaatje

“Het was weer een behoorlijke rotzooi in Amsterdam”, zegt mijn heel oude moeder half vragend, half constaterend in haar Zeeuwse aanleunwoning. Demonstrantheviewten voor en tégen vluchtelingen, een bomalarm: de media werden weer goed bespeeld door de verschillende kampen.
Mijn moeder herhaalde de woorden van mijn opa dertig jaar geleden tijdens de krakersrellen. Wij woonden toen ook al in de Staatsliedenbuurt, en elke weekend was er wel brand in leegstaande woningen. Cameraploegen reden door de straten en in de media werd de indruk gewekt dat de buurt een no go area was. De burgemeester was niet welkom. Enkele tientallen opgewonden krakers hielden hem tegen en spuugden op zijn jas. Zo nu en dan was er een ontruiming. Dan renden krakers en ME’ers achter elkaar aan en moedigden wij hen aan vanaf ons frans balkonnetje alsof het een sportwedstrijd was. Geweld werd niet uit de weg gegaan. Soms werd er traangas gebruikt en sloten we balkondeuren.
’s Avonds dronken we een biertje in de Rioolrat, het krakerscafé, en hoorden we de opgewonden verhalen aan. Er hing een hoog testosterongehalte, hier werd de wereld definitief gekanteld. Voor nuance was geen ruimte.
Daarna zakten we af naar ons stamcafé Tramlijn Begeerte. Twee bier op de tap: pils en witbier. Dubbel en tripel in flesjes. En steevast een bakje pinda’s erbij “van het huis”. |
De volgende ochtend stonden wij in de rij bij de bakker waar de werkende mens vanaf zeven uur ’s ochtends terecht kon voor zijn verse brood voor ontbijt en lunchpakketje.

Kortom, een gezellige buurt. Maar leg dat opa maar eens uit die het nieuws alleen via de televisie binnenkreeg. Het was een oude volkswijk aan het randje van de binnenstad in transitie via de krakersperiode naar de aangeharkte buurt met hippe café’s en restaurantjes van nu, met minstens vijf ambachtelijke bieren op de tap. De krakers zijn met pensioen, overleden of naar het verpleegtehuis. De rand van de binnenstad ligt inmiddels kilometers verder westwaarts, voorbij de ring A10 west. De Kolenkitbuurt is nu de buurt voor jonge starters op de woningmarkt.

En nu dus de vluchtelingen. De media staan er bol van. Maar waar ze wonen in de stad? Geen idee. Ik kan het mijn moeder helaas niet vertellen. Net als voor mijn opa destijds is nu voor mijn moeder die televisie het enige venster op de wereld. Net als toen lichten die cameraploegen dat stukje uit de werkelijkheid dat ze willen laten zien. Daarom komen die beelden van die schreeuwers in Woerden, Geldermalsen, Heesch hard binnen.

Haar wereldje is heel klein geworden, zegt mijn zus dan. Dat klopt gedeeltelijk. Haar wereld staat nu stil. Elke dag is een kloon van de vorige. Op de vensterbank staan orchideeën die het eeuwige leven lijken te hebben, in de verte, naar het westen, een rij populieren. ’s Zomers vol in het blad wat de middagzon wat filtert. Nu in de winter kaal, stram en koud.
Maar binnen komt de wereld de godganse dag naar binnen. De smalle selectie van het nieuws wringt zich door het kijkgaatje, dat televisie toch feitelijk is, naar binnen. Om zich daar massief te manifesteren. De eerste beste rimpeling in de economie vertaalt zich in de immer terugkerende vraag of haar pensioen nu naar beneden zal gaan. Of we de AOW wel overeind houden? Zal de thuiszorg nog blijven komen? Grote zorgen, aangewakkerd door de wervelwind van de hedendaagse media die elke snipper nieuws selecteren op sensatiepotentie om daarna vermiljoenvoudigd voort te jagen tot in elke hoek van iedere huiskamer. Wat de argeloze kijker de schrik aanjaagt. Om vervolgens terug te wervelen als “toenemende onrust” in het land. Om zo in een onbeheersbare windhoos van sensatie en onrust te ontaarden.

Vanuit mijn woonkamer kijk ik uit het raam over de echte wereld, de Kostverlorenvaart. In de verte dendert tram 10 over de brug. Meeuwen scheren over het water. Een fietser haast zich naar de stad, buren keren met volle tassen terug uit de supermarkt. Af en toe een onbekend gezicht. Misschien wel een “statushouder”. In Geldermalsen, Heesch en Woerden zal het niet veel anders zijn.

De macht over het vuur

vuurwerkDe eerste minuten na middernacht floten, knalden en knetterden vuurpijlen, romeinse kaarsen, bloemfonteinen, 1000-klappers en hoe het allemaal mag heten om ons heen. Van de dip in de verkoop was bij ons weinig te merken. Braver geworden in de loop der jaren en bewuster van milieu beperken we ons zelf al enkele jaren met de vaste groep oudejaarsvierders tot één gezamenlijke vuurpijl waar we strookjes papier met onze individuele wensen op plakken en het zwerk inschieten. Ooit begonnen als lolletje toen de kinderen klein waren, maar inmiddels een vaste traditie, ook nu de kinderen op eigen benen staan en ergens in de stad met vrienden oud-en-nieuw vieren. Het schrijven van de wens bepaalt je even bij het voortschrijden van de tijd en bij de relatieve maakbaarheid van het leven. Zelf hou ik het erg klein. Vaak plakte ik het streven naar betere tijden op de halve marathon op de vuurpijl. Die wens kwam vaak uit; niet in de laatste plaats omdat ik mij ervan bewust was dat iets meer trainen daarbij zou helpen.

Die ene pijl is onze bijdrage aan het jaarlijkse spektakel. En als redelijke mensen kunnen wij ons wel iets voorstellen bij een strakkere regulering van zelf vuurwerk afsteken. Tot het knallen losbarst en die zeventig miljoen de lucht in gaan. Dan zijn wij weer onder de indruk en ervaren we aan den lijve door het verschuiven van de Grote Wijzer dat De Tijd onverbiddelijk één kant op gaat.

Dan beseffen we dat regulering nog heel erg ver weg is. Dit zullen mensen zich niet snel laten afnemen. “Wat zal eerder verdwijnen: Zwarte Piet of vuurwerk?”, vroeg een van ons zich af, uitkijkend over de Kostverlorenvaart waar aan weerszijden een battle woedde van meer, harder, mooier en hoger. Met zo nu en dan een zo zware dreun dat je het voelde trillen in je middenrif. “Zwarte Piet”, schatten we in. Weliswaar met twijfels. Maar dat je daar mensen mee kwetst, zal langzaam als een olievlek over het land uitbreiden. Bij vuurwerk ligt dat anders. Je veroorzaakt overlast, maar dat is nog iets anders dan beledigen en uitsluiten.

De avond voor oudejaarsdag bezocht ik een jongerencentrum in een dorp in de bollenstreek. Geregeld sneakte een paar jongens naar buiten en dan volgden er een paar oorverdovende knallen. Wat drijft hen? Het zijn jongens, en ook meisjes, met een lage opleiding, banen in de tuinbouw, de veiling, Schiphol-Oost waar je vroeg voor op moet, redelijk verdient als je veel uren draait. Maar tegelijkertijd met weinig perspectief. Als je met ze in gesprek gaat draait hun leven om werk, bier, wiet en voetbal. Ze voelen zich in de steek gelaten. Hun dorp is geen zelfstandige gemeente meer, de gemeenteraad zetelt in de centrale dorpskern 5 kilometer verderop. Raadsleden en wethouders komen zelden langs. Een eigen huis is er niet te huur. De jongeren wonen lang thuis waar de spanning vaak te snijden is.

Tegen oud-en-nieuw begint de handel in – illegaal – vuurwerk op gang te komen. De spanning stijgt. Mijn platpsychologische benadering: die spanning moet eruit. Vuurwerk geeft een gevoel van macht. Het heeft te maken met de macht die samen gaat met de beheersing van het vuur. Een dreun in de nacht die het halve dorp opschrikt: dat geeft een kick.

Het resultaat van al die knallen: twee doden en meer dan honderd mensen met blijvend oogletsel. Dus toch maar verbieden? Ik betwijfel of dat gaat lukken. Dat is de benadering van de hoogopgeleide beleidsmaker die de verlokking van de knal, van het vuur, en vooral van het gevoel van macht die het geeft, niet – meer – kent. En risico’s: daar schrikken deze jongeren niet voor terug. Ze hebben niet zo gek veel te verliezen in hun beleving. Letterlijk de lont afsteken van een mortierbom bevestigt hen in hun bestaan. Je telt dan een paar seconden even mee, je doet er toe.

Dus moeten we andere wegen zoeken. Welke gevaren hebben we de afgelopen decennia, of eeuwen onder de knie gekregen, en hoe? Bedrijfsongevallen, verkeersongevallen, infectieziekten, besmettelijke ziekten. Zeep en de aanleg van riolering waren de grote successen in de 19e eeuw. Doordat vroedvrouwen hun handen met zeep gingen wassen daalde de sterfte van kraamvrouwen sterk. Riolering en schoon leidingwater betekende het einde voor dysenterie. Vaccinaties voor difterie, kinkhoest, cholera.

Het verkeer werd in twintig, dertig jaar enorm veel veiliger door gordels, airbags, verkeersdrempels en fietspaden.

Bedrijfsongevallen namen af door helmen, veilige steigers, beschermkappen op zaagmachines en bedieningsknoppen die het onmogelijk maken om met de hand nog even snel een plank langs de cirkelzaag te halen. Elektronica schakelt machines uit als ze overbelast raken.

Kortom: we hebben die veiligheidswinst niet geboekt omdat we zijn gestopt met bevallen, poepen, drinken, zagen, autorijden en fietsen, maar omdat we met technische maatregelen de risicofactoren hebben verminderd of geminimaliseerd. Dat gaat uiteraard niet vanzelf. Stap voor stap hebben we leren begrijpen hoe processen op elkaar inwerken. Dat bacteriën ziektes veroorzaken en hoe die bacteriën reizen van de een naar de ander. Dat poep ziekmakers bevat en daarom niet vermengd mag raken met drinkwater. Dat zeep bacteriën doodt. En dat we daarom handen moeten wassen. Daarom moeten we het fenomeen van vuurwerk veel beter analyseren. Wie doet het, waarom, waar. Als we dat goed doen, kunnen we incentives bedenken om het gebruik van veiligheidsbrillen te bevorderen (vergelijkbaar met gordels en valhelmen). Misschien met een hoger eigen risico bij de zorgverzekering als je geen beschermende maatregelen neemt. Zoals bij buiten de piste skiën.

En vooral: begrijpen we de jongeren wel? Misschien is het veel interessanter om een professionele vuurwerkmaker in te schakelen die met hen een groot vuurwerk inricht.

Verbieden is een bot instrument: het is hoge cultuur die paternalistisch lage cultuur iets afpakt. De grachtengordel tegenover wakker Nederland. De drooglegging in de VS bijna honderd jaar geleden bleek een tegengesteld effect te bewerkstelligen: de illegale handel bloeide enorm op en verschafte de maffia het startkapitaal waar ze nu nog op teren.

Net zo min als Obama erin slaagt om het bezit van vuurwapens te verminderen, op de Autobahn een maximum snelheid ingevoerd kan worden, gaat een vuurwerkverbod hier slagen. Niet omdat het onzin is om het te beteugelen, maar omdat het een culturele strijd gaat worden. Het gaat over macht, over een culturele elite die haar wil oplegt aan een deel van de bevolking dat ver af staat van de macht. Daarom is de tactiek van Pieter Broertjes interessant: wel in stadscentra waar grote groepen mensen samenkomen voor een eindejaarsconcert met afsluitende vuurwerkshow en handhaving daadwerkelijk mogelijk is.

En voor het overige stap voor stap naar een semi-professionele aanpak. Waar jongeren bij betrokken worden, hun ouders en buurt- en dorpsgenoten komen kijken en er mogelijk een vorm van gemeenschapsgevoel rond kan ontstaan. En je een loser bent als je op je eentje nog ergens een lawinepijl afsteekt.