Categorie archief: Opportunisme

Als één plus één niet langer twee is

Het heeft een maand langer geduurd dan normaal om een blog te produceren. Ik hield de ontwikkelingen in de buitenwereld gewoon niet meer bij: ze gingen sneller dan ik kon beschrijven.

Dit stukje gaat dan ook over de betekenis van woorden. En over de ingrijpende inflatie van de waarde van woorden. Want het is zeer de vraag of dit soort stukjes nog enige toekomst heeft.

Ik probeerde zaken die mij opvielen te beschrijven, te duiden en in een ruimer kader te plaatsen. De samenleving verandert permanent en die veranderingen zie je terug in al die kleine verschuivingen in het dagelijks leven. Mogelijk zegt de optelsom van al die kleine verschuivingen iets over de richting waarin de samenleving zich ontwikkelt. Daarmee legde ik voor mijzelf een fundament om beter onderbouwd besluiten te kunnen nemen in mijn dagelijks werk voor een maatschappelijke organisatie.

Heldere redeneringen waren daarbij van belang, want mogelijk hadden anderen ook iets aan deze denkoefeningen. En dan is het goed dat elke stap gevolgd en bekritiseerd kan worden. Waarbij steeds weer blijkt hoe lastig taal is. Het voelt vaak of je een zandkasteel aan het bouwen bent met net te droog zand: ben je aan je vierde muur bezig, stort de eerste weer in.

Een zijsprong: elke week lees ik met veel plezier de stukjes van Ionica Smeets in de Volkskrant over getallen. Wiskundigen leven in een bijzondere wereld: zij hebben geen laboratorium om te onderzoeken of  één plus één altijd twee is, 12 plus 13 altijd 25, of 12 maal 13 altijd 156 is. Aan pen en papier hebben zij genoeg, of liever nog een ouderwets schoolbord waar zij hun collega’s hun becijferingen voorrekenen. Volstrekte transparantie. Begrippen als waarheid of leugen bestaan niet in de wiskunde. Dingen zijn waar of niet-waar.

Het omgekeerde zien we bij goochelaars. Met evenveel plezier als de stukjes van Ionica lees ik in Mindf*ck hoe illusionist Victor Mids de kijker op het verkeerde been zet. Vooral door onze manier van denken te misbruiken. Ons te laten focussen op plek A en moment X terwijl de kaartwissel plaatsvindt op plek B op moment Y. Het grappige is dat de goochelaar daar nog heel wat taal bij nodig heeft. Al dat ogenschijnlijke geklets om de truc heen in is van belang voor het slagen ervan.

Lastig is dat taal de uitstraling heeft van wiskunde – een appel groeit aan een boom, het ijs smelt, de zon schijnt – maar niet die zekerheid biedt van 1 + 1 = 2. Taal hebben we als mensen nodig om te kunnen overleven. In ons eentje redden we het niet op de wereld. Om voedsel te vergaren en schuilplaatsen te bouwen hebben anderen nodig. Als je samen een beer wilt doden, is taal handig. Dat achter je voor iedereen achter je is en niet vóór je.

Natuurlijk zit er een bepaalde marge in woorden. Elk woord is een beetje van elastiek en rekt mee met de context. Dus is er veel discussie over de interpretatie van feiten. Als je sporen in het bos ziet die duiden op een groot dier, dan is het van levensbelang om te weten of het om een beer of een hert gaat. En vooral ook dat iedereen het daarover eens is.

De waarheid is dus het resultaat van wat het overgrote deel van een groep als waarheid beschouwt. Als één mens met wiskundige zekerheid bewijst dat de zon het middelpunt van ons zonnestelsel is, dan is dat nog niet per se de waarheid. Daar is meer voor nodig. De geschiedenis van Copernicus en Galilei illustreert dit goed. Copernicus onderbouwde dat de zon en niet de aarde in het centrum van ons zonnestelsel stond, maar opperde het als een theoretische mogelijkheid, en kwam daar mee weg. Galileo Galilei bazuinde het van de daken. Dat kwam de meerderheid van de kerkvorsten niet goed uit. Dus botte ontkenning volgde. Hij moest door het stof en het duurde tot eind twintigste eeuw voor het Vaticaan het gelijk van Galilei erkende.

Vertaald naar hier en nu: je kunt een tijd ontkennen dat de poolkappen smelten, maar als de zeespiegel daadwerkelijk stijgt,  verschuift de discussie naar de oorzaken daarvan. Als het je positie verzwakt door de mens als veroorzaker aan te wijzen – omdat dat dwingt tot vervanging van olie, kolen en gas door wind- en zonnestroom, en dus leidt tot verlies voor olieconcerns – dan ontken je dat. En tracht je zoveel mogelijk medestanders te werven. Soms lukt dat, soms niet. Pas als de groep ontkenners zo groot wordt dat er binnen de gemeenschap geen consensus meer bereikt kan worden, staat het voortbestaan van de hele groep op het spel. Conflicten zijn dan onvermijdelijk.

Die kunnen beslecht worden met wetenschappelijk onderzoek. Dan gaat het elastiek van taal over in de staalharde transparantie van wiskunde: waar of niet-waar. Dat vergt wel dat de hele groep het eens is over de wetenschappelijk methode. Als dat gaat ontbreken, dan komen we in drijfzand terecht. Daarom is de afhankelijkheid van wetenschappelijk onderzoek van politieke besluitvorming juist nu zo risicovol.

Want feiten lijken irrelevant geworden. In 1984 van George Orwell was er een Ministerie van Waarheid dat alle feiten naar zijn hand zette. De woordvoerder van Trump ontkende vandaag – 22 januari 2017: onthoud die datum – glashard dat bij inauguratie van Trump minder publiek was komen kijken dan bij Obama acht jaar geleden ondanks de overstelpende overvloed aan foto’s en films en gegevens van politie en openbaar vervoer. “Period”. Dat lijkt klein bier, want so what?

Niks so what: een van de eerste daden van Trump was het ondertekenen van een decreet om klimaatonderzoek stop te zetten. Het voelt of hedendaagse Galilei’s weer terug zijn bij af.

Deze manier van politiek bedrijven zal weerklank vinden. Al hebben de nieuwe keizers geen kleren aan, zij ontkennen dat glashard en presenteren hun kijk op de wereld als enige werkelijkheid. In onderzoekstermen heet dat een paradigmashift: de bakens worden verzet, de wereld wordt vanuit een andere invalshoek benaderd wat leidt tot nieuwe uitkomsten. Het verstoten van de aarde door de zon uit het middelpunt van ons planetenstelsel was zo’n paradigmashift. En er volgden er nog vele.

Een vergelijkbare verschuiving in de politiek waarbij de vaste fundering op wetenschappelijke feiten als sturingsinformatie wordt verlaten brengt ons op volstrekt onbekend terrein. We zullen dat gaan merken. Ook in Nederland, en in elke raadszaal in het land. Want een beroep op feiten wordt zinloos. Wat komt daar voor in de plaats?

Op die vraag ga ik weer een maandje broeden.

 

 

 

Beeldtaal (1)

Ooit ben ik gaan nadenken over denken. Dat begint met denken over jezelf. Ergens in een mensenleven komt het moment van verwondering dat we kúnnen nadenken over ons zelf. Bij de een wat eerder dan bij de ander, en uiteraard bij sommigen nooit, maar beseffen dat je bestaat en dat het bestaan eindig is, althans het aardse bestaan, dat kwartje valt vroeg of laat. Sommigen laat het koud, anderen gaan tobben en enkelen gaan een to-do lijst maken. Tegenwoordig om ondoorgrondelijke redenen bucketlist genoemd.

Maar denken over je eigen denken is een verdiepingsslag daarop. Want het eigen denkproces proberen te doorgronden is een vreemde bezigheid. Het lijkt op proberen je achterhoofd te bekijken in de spiegel. Als je probeert je gedachtenstroom te bekijken, is de eerste vraag: denk ik in taal of in beeld? Dit stukje is in taal, maar dénken we ook in taal? Die vraag drong zich op na het lezen van het laatste boek van Frans de Waal. Dat gaat over denken bij dieren, of beter over “cognitie”. Kennen, weten. Hij schetst hoe dieren op hun manier waanzinnig intelligent kunnen zijn. Hoe kraaien ijzerdraadjes buigen om iets uit een holte te kunnen peuteren. Hoe olifanten in het droge Afrika weten waar drinkplekken zijn. Ook jaren later. Over denken bij mensen zijn we al een paar duizend jaar aan het denken.

Maar hoe werkt dat in olifantenhersenen? Ik vind dat fascinerende vragen. En die parkeer ik dus in mijn achterhoofd en af en toe plopt die vraag dan weer op. Mijn hersenen gaan bijna automatisch met die vraag aan de slag. Een soort achtergrondruis. (Is dat dan ook denken?) Zo viel mij op dat ik na soms ettelijke fietsloze weken mijn tweewieler in de stalling onder het stationsplein van Haarlem gemakkelijk kan terugvinden: maar pas als ik er ben. Ik kan niet, bijvoorbeeld thuis, aan anderen uitleggen waar hij staat.  Pas op het moment dat ik de stalling in loop, leiden mijn voeten mij als het ware zelf naar de fiets. Mijn lichaam, dus mijn hersenen, weten waar hij staat. De beelden van de ruimte triggeren de herinnering blijkbaar. Die beelden komen boven drijven en al lopend schuiven die live beelden over de beelden in mijn geheugen tot een match. “Dat is geen denken, dat is geheugen”, riposteerde een kennis. De vraag is of dat niet te gemakkelijk is.

Afgelopen zomer draaide ik in Frankrijk een straat in waar ik meende nog nooit te zijn geweest, tot beelden kwamen boven drijven die naarmate ik verder reed scherper werden tot ik alsof ik er gisteren nog was geweest de parkeerplaats achter de supermarkt opdraaide.

Zo moet het ook in de olifantenhersenen gaan. Onze willekeurige gedachtenstroom bestaat volgens mij uit beelden. Natuurlijk kunnen we nadenken in taal. Zodra we spreken, gebruiken we taal. De vraag is wanneer we tijdens ons denken overschakelen van beelden naar woorden. Onze taal is symbolisch. Bijna geen enkel woord in dit stukje is direct te linken aan de fysieke wereld om ons heen. Taal lijkt extreem abstract. Maar natuurlijk gaat taal wel over de wereld. Zelfs als hij er niet over gaat, zoals taal over god of goden. En is die abstracte taal een flinterdunne huid waaronder de wereld van beelden schuil gaat. Is onze taal als het ware geladen met beelden.

Bij het werk van ambachtslieden zie je hoe sterk die manier van “denken” is: zij hebben allerlei slimme trucs om maten over nemen. Een timmerman meet en rekent amper. Hij neemt letterlijk op een balkje een maat over, tekent dat weer af op een andere balk, gebruikt een blokje en een potlood om een hoek over te nemen. Daar komt geen rekenwerk aan te pas. Kleermakers trekken patronen over, spelden de zaak in elkaar en nemen hier en daar een naadje in tot het matcht met het beeld van hun klant. We puzzelen de beelden in elkaar. In ons denken over de wereld puzzelen we op dezelfde manier beelden in elkaar. Ons aangereikt in beelden, of in taal geladen door beelden.

Waarom mij dit zo bezighoudt? Ik denk dat er in dat denken in beelden een sleutel ligt hoe de opvattingen tot stand komen. Veel minder rationeel dan we veronderstellen. Als beelden het fundament zijn van ons denken, dan komt daar geen logisch redeneren aan te pas. Dan zoeken we naar overeenkomsten tussen verschijnselen op basis van hun voorkomen. Als Donald Trump sterk suggestieve beelden oproept, dan gaan toehoorders op zoek naar de overlap van die opgeroepen beelden met beelden in hun eigen leefomgeving. Als dat negatieve geladen suggesties zijn, zoals over criminaliteit van zwarten of Mexicanen, over grensmuren of lege fabrieken, dan kan een groepsoordeel in de publieke opinie snel gevormd zijn. Daar valt niet tegenop te redeneren met cijfers over statistieken of betogen over handelsverdragen. Cijfers en verdragsteksten roepen geen beelden op, zij matchen niet met beelden uit de leefwereld. Populisten roepen met taal sterke beelden op. Daar moet je dus andere sterke beelden tegenover zetten. Wetenschap, onderzoeken, kennis over de betrouwbaarheid van ons weten, kortom, de hele erfenis van de Verlichting, is paarlen voor de zwijnen.

Volgende maand verder. (In verband met drukke werkzaamheden ben ik van wekelijkse op maandelijkse blogs overgestapt.) 

Helden en slachtoffers, deel 3

g88b_HansBrinkerHet kan nog een jaartje duren, maar de soap rond de Hedwige is nog niet afgelopen. Er valt formeel niet meer te ontsnappen aan het definitieve besluit tot ontpolderen, maar als dat valt zal de tegenbeweging weer op gang komen. Het is een loepzuiver voorbeeld hoe je als bestuurder bij voorbaat op achterstand kunt staan bij wat in het Duits zo treffend Gesundenes Volksempfinden heet. Zeker als een kleine Gideonsbende met mediawind in de zeilen de zaak nog eens breed kan uitspinnen. De media opereren met de wetten van het heldenepos in de hand; om de lezer het verhaal in te trekken heb je tegenstellingen nodig: wie is de held, wie zijn de slachtoffers, wie is de schurk en wie complotteert tegen wie?

Iconische slachtoffers zijn kinderen, ouderen, gehandicapten, dieren. Maar wat nieuw lijkt, is dat we die kwetsbaarheid op weerbare groepen gaan projecteren. Niet de trekvogels, maar de boeren zijn de nieuwe slachtoffers. Niet de vluchtelingen, maar de burgers van de gemeenten waar de noodopvang komt, niet de Oekraïners die meer democratie willen in plaats van corruptie, maar mondige weerbare Nederlanders. Een opvallende kanteling van kwetsbaar naar het Dikke Ik. En door de wederzijdse afhankelijkheid van actievoerders en media hebben die Dikke Ikken, de verontwaardigde burgers die zich bedreigd voelen, ineens wind mee.

Als Jan Roos suggereert dat onze kleine polder bedreigd wordt door een verdrag van Europa met Oekraïne, dan past dat exact in het frame van het heldenepos. Een kleine dappere matroos, die als een Hansje Brinker zijn duim in het gat van onze dijk steekt en verhoedt dat nog meer ellende van ver weg ons land binnen stroomt, is de gedroomde held. Iedereen die zijn vingers naar hem uitsteekt verliest bij voorbaat.

Daarmee ben ik nog geen fan van de voorstanders van het verdrag. Als Juncker met hel en verdoemenis dreigt als het verdrag met Oekraïne schipbreuk leidt, begrijp ik de tegenstemmers wel. Bestuurders die nog steeds niet begrijpen dat je aan het kortste eind trekt als je niet tijdig met burgers communiceert zijn een groter risico dan Jan Roos omdat zij hem daarmee een podium bieden.

Lastig is dat in alle tumult de vraag wie de werkelijk kwetsbare is uit het zicht verdwijnt nu we meer en meer gefocust raken op het “eigene”. De aandacht voor het kleinschalige, ambachtelijke verschuift met een tussenstap via het authentieke en oorspronkelijke naar “eigen soort”. Solidariteit verdampt. Je kunt niet met de hele wereld solidair zijn, wel met de buren. En de buren van de buren. We zetten een hek om de groep heen waar we ons mee verwant voelen en sluiten in één beweging anderen buiten.

En jazeker: de creativiteit zit nu op rechts. Dat valt niet te ontkennen. Maar griezelig is het wel: Pegida die goochelt met een hakenkruis op een spandoek. Mutsen inde vorm van varkenskoppen. Er werden vergelijkingen getrokken met de ludieke acties van Provo die demonstreerde met blanco spandoeken en rozijnen uitdeelde. Het fundamentele verschil is dat Provo actie voerde tegen de bestuurlijke élite en Pegida kwetsbare groepen beledigt.

Daarmee wordt het lastig om een participatiesamenleving te bouwen waar die wellicht wat ouderwetse solidariteit zo nodig is. Omzien naar elkaar in plaats met grote bekken tegenover elkaar te staan: wie zet de eerste stap om de hekken rond de eigen groepjes af te breken?  

Helden en slachtoffers, deel 2

DSC00676In deel 1: hoe de bestuurlijke soap rond de Hedwige-polder als loepzuiver voorbeeld kan dienen voor nieuwe vormen van maatschappelijke polarisatie. Prachtig gedocumenteerd in de film Onder het oppervlak van Digna Sinke.

Kern van de soap: het laten onderlopen van een polder is op zich een sublieme oplossing om grotere schepen door de Schelde naar Antwerpen te laten varen zonder dat de trekvogels door verdwijnende schorren verdreven worden.

Ware het niet dat die polders onlosmakelijk verbonden met de Zeeuwse identiteit. Zeeuws-Vlaanderen is een lappendeken van polders en poldertjes die daar vanaf de vroege Middeleeuwen zijn aangelegd. Vanaf de hogere delen werd steeds een dijkje gelegd om een droogvallend schor, enzovoorts enzoverder. Al die dijken en dijkjes liggen er nog en maken er met de rijen populieren er boven op – geen natuur, maar goed voor klompenhout – een uniek coulissenlandschap van.
Helemaal in het oostelijke hoekje van Zeeuws-Vlaanderen, pal op de grens met Belgisch Vlaanderen ligt de Hedwigepolder, net voorbij zijn “rolmodel” Het Verdronken Land van Saeftinge: ooit ook een polder, maar in de tachtigjarige oorlog ondergelopen en nooit meer droog gemaakt. Teveel werk voor te weinig land.

De Hedwige zelf is geen bijster interessante polder – dit gaat mij nog wat ruzie opleveren in de familie – en behalve een paar pachters en de enige eigenaar die de hele polder bezit, komt er praktisch niemand. Geknipt voor de operatie Ontpolderen. Saillant detail: die grootgrondbezitter is een Belg: een baggeraar!

Nadat de ministers en staatssecretarissen het verdrag over de verdieping en de ontpoldering hadden ondertekend was het een kwestie van de boeren uitkopen. De Belgen, de havenbaronnen, zouden riant betalen. Appeltje, eitje.
En daar ging het mis. De boeren gingen niét één-twee-drie overstag.  Niét omdat ze zo gehecht waren aan hun grond of zo’n groot hart hadden voor trek- en weidevogels. Althans: dat geloof ik niet. De film toont dit jammer genoeg niet, maar ik vermoed dat het om centen ging, zoals altijd bij Zeeuwse boeren. Mijn opa moest als landarbeider in de jaren voor de oorlog ’s winters maar zien hoe hij aan de kost kwam. Als het werk afnam in het najaar kon hij vertrekken. In het voorjaar mocht hij terugkomen.

Dus of het nu kwam omdat de onderhandelaars te krenterig hadden ingezet uit Zeeuwse zuunigheid, of de boeren hun het vel over de oren trokken: op dat moment begon het te schuren. Enkele tientallen onwennige actievoerders grepen media-momenten aan om zich te laten horen: een minister die een dorpscafé eventjes zou komen uitleggen hoe hij het wilde aanpakken leverde een geweldig exposure op. Voor de actievoerders uiteraard. Het markeerde het begin van een onontwarbare kluwen van argumenten, grotendeels gevoed met emoties over de mythische Zeeuwse strijd tegen het water. Het Zeeuws-Vlaamse volkslied – het bestaat! – kent niet voor niets de strofe “…en schiepen zich de Zeeuwen uit schor en slik hun land”.

Dit mythische heldenepos werd aangevuld met de retoriek van het boerenland als natuurgebied. Het boek Dit is mijn hof van de Vlaamse journalist Chris de Stoop over de ontpoldering van het Belgische deel van de polder gaat in de flinke oplagen over de toonbank. Prachtig geschreven, vlotte en beeldende stijl, maar het ademt toch vooral melancholie over de teloorgang van het boerenbedrijf uit de vijftiger jaren: hoe God verdween uit de Hedwige. Vermengd met wrok jegens de groenen die zouden samenspannen met de havenbaronnen. Geen steekhoudende argumenten om de Hedwige te behouden. Het hedendaagse boerenbedrijf verarmt de natuur. De Stoop mag dan de boerderij van zijn broer hebben overgenomen: het bedrijf heeft hij gestaakt. Voor het type boer dat zijn broer was, en daarvoor zijn vader, is geen plaats meer.

Hoe dan ook: ontpolderen werd een volstrekt taboe. Het CDA – groot in Zeeland – keek ernaar met samengeknepen billen. Want CDA-ministers hadden alle verdragen ondertekend.

Niemand ondernam een poging op de argumenten tegen ontpolderen te weerleggen. Niemand opperde dat Zeeuws-Vlaanderen in 1953 amper had geleden onder De Ramp. Twee kleine poldertjes liepen onder. Minder dan 1% van de slachtoffers verdronk hier. En ook niemand die uitlegde dat het verlies van 300 hectare landbouwgrond niet zou uitdraaien op een wereldwijde hongersnood. Want elke uitleg zou de bijl aan de wortel van die Zeeuwse identiteit leggen: het win-win model van bescherming tegen de zee door vruchtbare akkers te maken zou op de helling moeten. Wie zou daar zijn vingers aan durven branden?

Zo raakten de bestuurders door de identiteitsretoriek gegijzeld. Want die heldensagen behoorden ook tot hun eigen identiteit. Voor de Zeeuw Balkenende destijds een ainedossier. Hoe moest hij dit aan zijn moeder in Kapelle bij Goes uitleggen? En hoe moest zij het uitleggen aan de andere leden van haar bridge- of wandelclub?

Iedereen zat klem in de eigen mythe. En juist daarmee is de Hedwige zo’n helder voorbeeld van een nieuwe polarisatie in de hele samenleving: die tussen bestuurders die doelen nastreven die het lokale belang overstijgen – zoals het belang van de Antwerpse haven, geborgd in een eeuwenoud verdrag dat als konijn uit de hoge hoed werd getoverd – versus groepen burgers die zich gepasseerd voelen en zich aaneensluiten op basis van immateriële waarden ingebed in een – ook gedurende eeuwen geconstrueerde – gezamenlijke identiteit. Een identiteit die een bedding biedt aan het verlangen naar behoud, geborgenheid, herstel van oude waarden, zekerheden. Maar ook een identiteit die andersdenkenden uitsluit. Onverdraagzaamheid steekt de kop op.

Volgende week de ontknoping.

Over helden en slachtoffers (1)

saaftingeVorige week had ik een blog klaar staan, over de film van Digna Sinke over de Hedwige-polder, maar ik liep steeds vast. Tot ik Jan Roos weer in actie zag. Toen begreep ik de wederkerigheid tussen actievoeders en media weer. Ik zal het proberen uit te leggen. Kost wel wat woorden meer dan gebruikelijk. Daarom knip ik het in drie stukken.

Deel 1. Baggeren

Voor de doorsnee randstedeling is de Hedwige-polder even ver van zijn of haar bed als Oekraïne voor ons was voordat Poetin daar de lont in het kruitvat stak.

Documentaire maker Digna Sinke heeft met haar film Onder het oppervlak 20 jaar bestuurlijk touwtrekken in beeld gebracht. Als geboren en getogen Zeeuws-Vlaming wilde ik die documentaire wel zien. Welke kant zou ze kiezen? De lange versie werd vertoond in bioscoop het Ketelhuis, met als dessert een debat met onder meer Cees Veerman, één van de ministers die op enig moment aan het touw moest trekken.
De film is strak opgebouwd: het verhaal wordt verteld door de terugblikkende hoofdrolspelers zelf. Mooi in beeld gebracht, goed uitgelicht, haarscherp, tegen een effen zwarte achtergrond. Bijna chique. Ambtenaren, ministers, staatssecretarissen, gezanten; ze maakten afspraken en probeerden daar vervolgens weer onderuit te komen. Althans, aan Nederlandse kant.
Tussendoor overpeinzingen van Sinke zelf over de economische druk vanuit de Antwerpse haven. Alles ingebed in prachtige fotografie van de rijen populieren in de polder en de enorme ruimte van de brede Schelde, het rijzen en dalen van het water, de golfslag aan de oever en het weidse uitzicht vanaf de brug van een containerschip.

De Schelde is een beetje de Mississippi van de lage landen: een massa water met overkanten, pontveren (nou ja, nog eentje, voor zolang het duurt), binnenvaartschepen en enorme zeeschepen met hoog opgestapelde zeecontainers die je vanuit de polders voorbij ziet schuiven boven de enorme Deltadijk. Eb en vloed, vaargeulen en stroomgeulen. Adembenemende wolkenluchten. De Schelde  is soortnaam en eigennaam ineen.

Voor wie nu dreigt af te haken: de Hedwige-polder is een loepzuiver voorbeeld van de machteloosheid van bestuurders die te maken krijgen met een Gideonsbende die een ogenschijnlijk technische kwestie kunnen opblazen tot een epos van mythische proporties. Of andersom: machteloze burgers die geen voet tussen de deur krijgen. Ik leid u er stap voor stap door heen.

Ingewikkeld is het probleem niet. 150 jaar geleden hadden de Belgen genoeg van die arrogante ‘Ollanders en scheurde het prille Koninkrijk in stukken. Probleem: het grotendeels protestantse Zeeuws-Vlaanderen hoorde vanaf de 80-jarige oorlog cultureel bij de Noordelijke Nederlanden. Dat bleef zo na de scheuring: beide oevers van het laatste stukje Schelde bleven Nederlands. Om de Antwerpse haven te bereiken, varen schepen dus eerst zo’n 50 kilometer door Nederland. Dat vinden de Belgen weinig comfortabel. Bij de scheuring is een verdrag gesloten dat de haven van Antwerpen bereikbaar moet blijven.
Dat betekent continu baggeren, alle dagen van het jaar. Niet alleen om De Schelde bevaarbaar te houden, maar ook om hem te verdiepen: de schepen worden steeds groter en liggen steeds dieper. Daar zit de oorzaak van het probleem: bij dat dieper maken zakken delen van de omringende schorren de vaargeul in en wordt het fourageergebied voor de vogels kleiner. Dat moet gecompenseerd worden. Dat vindt iedereen. Dat is op zich winst. Maar waar haal je nieuwe schorren vandaan?

Oplossing: een polder laten vollopen zodat je een nieuw drassig trekvogelparadijs krijgt. Subliem toch?

Waarom dat dan toch mis liep in deel 2.