Categorie archief: Hypocrisie

Boeren en de Grondwet

Geert Wilders wil met een noodwet de Grondwet opzij schuiven. Want de stikstofnormen los laten is simpelweg in strijd met de grondwettelijk taak van de overheid om ons leefmilieu en onze gezondheid te beschermen. Gaat dat niet wat snel?

Even een aanloop: cijfers zijn soms veelzeggend: 68% van ons land is groen: landbouw, bos en recreatiegebied. Maar van die 68% is 80% boerenland. Dat zijn dus bedrijfsterreinen. Want gras is weliswaar groen, maar niet alles wat groen is, is natuur. Gras is veevoer. En door overbemesting en uitputting, monoculturen en efficiënte bedrijfsvoering is grasland vooral heel erg arm en eenzijdig. In de zomermaanden maak ik geregeld flinke fietstochten, door Noord-Holland, Zeeland en ook wel door het Groene Hart, een enkele keer door Friesland en de kop van Overijssel. Ik weet wat boerenland is, speelde er, bouwde er hutten, ving kikkervisjes, sprong over slootjes, of erin.

Weliswaar woon ik al 40 jaar in Amsterdam, maar net als mijn medestedelingen vind ik het fijn om “buiten” te zijn. Dat is dan vaak bos, duin en hei, akkerbouwgebied kan ook nog wel, zoals het kleinschalig ingerichte Walcheren, maar die eindeloze vlakke groene grasvlakten in de noordelijke provincies, zonder vogels op een enkele reiger na, met hier en daar een plukje koeien, die geen boom hebben om onder te schuilen met regen of zon: dat zijn dus gewoon bedrijfsterreinen. In Brabant laat je zo’n tochtje sowieso wel uit je hoofd. Afgelopen zomer een keer geprobeerd onder Eindhoven: buiten de natuurgebieden val je van je fiets van de doordringende stank. Pure ammoniaklucht.

Boerenland bestaat uit binnenstebuiten gekeerde fabrieken. Waar de landbouwmachines in feite mobiele rollende banden zijn. Weilanden en maisakkers zijn platgeslagen, horizontale veevoedersilo’s. Met evenveel natuurwaarde als zo’n silo. Actualiteit: we weten nu ook dat door neonicotinoïden niet alleen de insecten uitsterven, maar ook de bodemfauna doodt. Zonder wormen is grond waardeloos. Gaan we dat ook weer met Monsanto en nieuwe machines oplossen?

Mogen de niet-boeren daar ook nog iets van vinden? Want de aarde is van ons allemaal. Wat nauw aansluit op dat rentmeesterschap dat in kringen van boerenpartij CDA vaak als richtsnoer wordt gehanteerd. Afgelopen weekend maar weer eens van stal gehaald op het CDA-congres. Vanuit de gedachte dat we de schepping in bruikleen hebben en goed moeten beheren. Uitputten van grond vloekt nogal met dat principe. Hoe komen die christelijke boeren daarmee in het reine? Of het is een praatje voor de bühne?

Hoe zouden we het vinden als meer dan helft van de parken in onze steden gebruikt werden door tuincentra? Met een hek eromheen. Omdat het er een beetje uitziet als een park? Dat zou toch heel gek aanvoelen? Dat boerenland is Nederlands grondgebied. En niet zo’n klein stukje van ons land, voor méér dan de helft! Waar niet meer dan 2% van alle gezinnen in ons land een boterham mee verdienen. Waar halen boeren het lef vandaan om die grond zo te gebruiken dat het voor hen maximaal rendeert zonder zich er om te bekommeren dat hun landgenoten daar last van hebben?? Waar halen ze het lef vandaan om het buitengebied zo sterk te verarmen door hun manier van bedrijfsvoering dat de biodiversiteit daar inmiddels veel schraler is dan in de door hen zo gehate steden? Zonder zich te bekommeren hoe komende generaties die verschraling weer moeten oplossen. Hoe kunnen die boeren nog rustig slapen?

En om het laatste fabeltje de wereld uit te helpen: om ons land te voeden hebben we die landbouw – vooral de veebedrijven – in de huidige omvang niet nodig, want onze boeren exporteren meer dan ze produceren voor de binnenlandse consumptie. Een fietstochtje door boerenland is dus een fietstochtje tussen exportbedrijven.

Waarom stellen we wel welstandseisen aan woningbouw, aan de inrichting van de openbare ruimte, hebben we bomenverordeningen, allemaal om te bevorderen dat het fijn leven is in onze steden en dorpen? Waarom houdt die manier van denken op bij de grens van de bebouwde kom?

Waarom laten politici hun oren laten hangen naar actievoerders die doen alsof zij de baas zijn in het buitengebied? En dan kom ik weer terug bij het begin: staat er niet in de Grondwet dat de overheid dient te zorgen voor een goed en zorgvuldig beheer van onze grond, ons water en onze lucht? Met alle geitenpaadjes die de afgelopen decennia zijn gevonden om deze grondwettelijke taak te omzeilen zijn we volledig vastgelopen. Waar is de overheid die de grondwet als richtsnoer voor zijn beleid neemt? Artikel 21 luidt immers: De zorg van de overheid is gericht op […] de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Artikel 22.1: De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid. Daar is toch geen woord Spaans bij? Dat kun je met een noodwetje toch niet opzij schuiven? What’s next?

Als één plus één niet langer twee is

Het heeft een maand langer geduurd dan normaal om een blog te produceren. Ik hield de ontwikkelingen in de buitenwereld gewoon niet meer bij: ze gingen sneller dan ik kon beschrijven.

Dit stukje gaat dan ook over de betekenis van woorden. En over de ingrijpende inflatie van de waarde van woorden. Want het is zeer de vraag of dit soort stukjes nog enige toekomst heeft.

Ik probeerde zaken die mij opvielen te beschrijven, te duiden en in een ruimer kader te plaatsen. De samenleving verandert permanent en die veranderingen zie je terug in al die kleine verschuivingen in het dagelijks leven. Mogelijk zegt de optelsom van al die kleine verschuivingen iets over de richting waarin de samenleving zich ontwikkelt. Daarmee legde ik voor mijzelf een fundament om beter onderbouwd besluiten te kunnen nemen in mijn dagelijks werk voor een maatschappelijke organisatie.

Heldere redeneringen waren daarbij van belang, want mogelijk hadden anderen ook iets aan deze denkoefeningen. En dan is het goed dat elke stap gevolgd en bekritiseerd kan worden. Waarbij steeds weer blijkt hoe lastig taal is. Het voelt vaak of je een zandkasteel aan het bouwen bent met net te droog zand: ben je aan je vierde muur bezig, stort de eerste weer in.

Een zijsprong: elke week lees ik met veel plezier de stukjes van Ionica Smeets in de Volkskrant over getallen. Wiskundigen leven in een bijzondere wereld: zij hebben geen laboratorium om te onderzoeken of  één plus één altijd twee is, 12 plus 13 altijd 25, of 12 maal 13 altijd 156 is. Aan pen en papier hebben zij genoeg, of liever nog een ouderwets schoolbord waar zij hun collega’s hun becijferingen voorrekenen. Volstrekte transparantie. Begrippen als waarheid of leugen bestaan niet in de wiskunde. Dingen zijn waar of niet-waar.

Het omgekeerde zien we bij goochelaars. Met evenveel plezier als de stukjes van Ionica lees ik in Mindf*ck hoe illusionist Victor Mids de kijker op het verkeerde been zet. Vooral door onze manier van denken te misbruiken. Ons te laten focussen op plek A en moment X terwijl de kaartwissel plaatsvindt op plek B op moment Y. Het grappige is dat de goochelaar daar nog heel wat taal bij nodig heeft. Al dat ogenschijnlijke geklets om de truc heen in is van belang voor het slagen ervan.

Lastig is dat taal de uitstraling heeft van wiskunde – een appel groeit aan een boom, het ijs smelt, de zon schijnt – maar niet die zekerheid biedt van 1 + 1 = 2. Taal hebben we als mensen nodig om te kunnen overleven. In ons eentje redden we het niet op de wereld. Om voedsel te vergaren en schuilplaatsen te bouwen hebben anderen nodig. Als je samen een beer wilt doden, is taal handig. Dat achter je voor iedereen achter je is en niet vóór je.

Natuurlijk zit er een bepaalde marge in woorden. Elk woord is een beetje van elastiek en rekt mee met de context. Dus is er veel discussie over de interpretatie van feiten. Als je sporen in het bos ziet die duiden op een groot dier, dan is het van levensbelang om te weten of het om een beer of een hert gaat. En vooral ook dat iedereen het daarover eens is.

De waarheid is dus het resultaat van wat het overgrote deel van een groep als waarheid beschouwt. Als één mens met wiskundige zekerheid bewijst dat de zon het middelpunt van ons zonnestelsel is, dan is dat nog niet per se de waarheid. Daar is meer voor nodig. De geschiedenis van Copernicus en Galilei illustreert dit goed. Copernicus onderbouwde dat de zon en niet de aarde in het centrum van ons zonnestelsel stond, maar opperde het als een theoretische mogelijkheid, en kwam daar mee weg. Galileo Galilei bazuinde het van de daken. Dat kwam de meerderheid van de kerkvorsten niet goed uit. Dus botte ontkenning volgde. Hij moest door het stof en het duurde tot eind twintigste eeuw voor het Vaticaan het gelijk van Galilei erkende.

Vertaald naar hier en nu: je kunt een tijd ontkennen dat de poolkappen smelten, maar als de zeespiegel daadwerkelijk stijgt,  verschuift de discussie naar de oorzaken daarvan. Als het je positie verzwakt door de mens als veroorzaker aan te wijzen – omdat dat dwingt tot vervanging van olie, kolen en gas door wind- en zonnestroom, en dus leidt tot verlies voor olieconcerns – dan ontken je dat. En tracht je zoveel mogelijk medestanders te werven. Soms lukt dat, soms niet. Pas als de groep ontkenners zo groot wordt dat er binnen de gemeenschap geen consensus meer bereikt kan worden, staat het voortbestaan van de hele groep op het spel. Conflicten zijn dan onvermijdelijk.

Die kunnen beslecht worden met wetenschappelijk onderzoek. Dan gaat het elastiek van taal over in de staalharde transparantie van wiskunde: waar of niet-waar. Dat vergt wel dat de hele groep het eens is over de wetenschappelijk methode. Als dat gaat ontbreken, dan komen we in drijfzand terecht. Daarom is de afhankelijkheid van wetenschappelijk onderzoek van politieke besluitvorming juist nu zo risicovol.

Want feiten lijken irrelevant geworden. In 1984 van George Orwell was er een Ministerie van Waarheid dat alle feiten naar zijn hand zette. De woordvoerder van Trump ontkende vandaag – 22 januari 2017: onthoud die datum – glashard dat bij inauguratie van Trump minder publiek was komen kijken dan bij Obama acht jaar geleden ondanks de overstelpende overvloed aan foto’s en films en gegevens van politie en openbaar vervoer. “Period”. Dat lijkt klein bier, want so what?

Niks so what: een van de eerste daden van Trump was het ondertekenen van een decreet om klimaatonderzoek stop te zetten. Het voelt of hedendaagse Galilei’s weer terug zijn bij af.

Deze manier van politiek bedrijven zal weerklank vinden. Al hebben de nieuwe keizers geen kleren aan, zij ontkennen dat glashard en presenteren hun kijk op de wereld als enige werkelijkheid. In onderzoekstermen heet dat een paradigmashift: de bakens worden verzet, de wereld wordt vanuit een andere invalshoek benaderd wat leidt tot nieuwe uitkomsten. Het verstoten van de aarde door de zon uit het middelpunt van ons planetenstelsel was zo’n paradigmashift. En er volgden er nog vele.

Een vergelijkbare verschuiving in de politiek waarbij de vaste fundering op wetenschappelijke feiten als sturingsinformatie wordt verlaten brengt ons op volstrekt onbekend terrein. We zullen dat gaan merken. Ook in Nederland, en in elke raadszaal in het land. Want een beroep op feiten wordt zinloos. Wat komt daar voor in de plaats?

Op die vraag ga ik weer een maandje broeden.

 

 

 

De boze burger: exoot of nobele wilde (4)

vondelstraatrellenDrie weken geleden kondigde ik een kleine denkpauze aan om tot een conclusies te komen over het DNA van de boze burger. Inmiddels heb ik er drie weken over na kunnen denken. Maar ik ben er nog niet uit. De Boze Burger wegzetten als een rancuneuze kleinburger is te makkelijk.

Alles conclusies op een rijtje over het DNA van de boze burger tot nu toe:

1. Boosheid heeft zijn wortels in niet serieus genomen worden.
2: Boosheid heeft zijn wortels in bevoogding.
3: Boosheid heeft zijn wortels in ontkenning door autoriteiten van problemen.
4. Boosheid heeft zijn wortels in een gevoel van in de steek gelaten voelen.
5: Boosheid heeft zijn wortels in een gevoel van onrechtvaardigheid.

Deze week nog een extra verdiepend inzicht door twee synchroon lopende gebeurtenissen: de woedegolf op Facebook over toetreden tot DENK door Sylvana Simons, en de boosheid over de vroege zomerstop van Pauw zonder vervanging door Jinek of Knevel en Van de Brink.

De Volkskrant ontrafelde de regie achter de woedegolf over Simons: strak geregisseerd door twee ervaren Facebookers die als een rechtse Gideonsbende veel galm veroorzaken en daarmee de suggestie wekken dat er een grote volksmeute achter die woede zit. Zij triggeren uiteraard wel de latente woede op een geraffineerde manier en zijn daarmee de boekhouders van de woede zoals Peter Sloterdijk dat in zijn boek Woede en Tijd goed uitlegt. Maar het is de vraag of daar het probleem zit.

Volgens mij zit dat op een heel ander niveau. Zowel Rutte als Asscher proberen vanuit leiderschap de reactie op Simons te veroordelen, maar juist in de reacties daarop zie je waar de schoen wringt: de politiek elite heeft zijn autoriteit verloren. Het tafereel is spiegelbeeldig aan de reacties op Provo en later de krakers op de regenteske reacties zoals van burgemeesters als Van Hall en daarna notabene Polak. Een foto van de ravage na de Vondelstraatrellen geeft de sfeer van een veldslag weer waarbij de woede-uitbarstingen op social media klein bier zijn. Daar ligt de kiem in het ont-autoriseren van de politieke élite.

Tegelijk worden de politieke spelregels herschreven. Eén van de kroonjuwelen van D66, het referendum, wordt dynamiet in handen van zo’n Gideonsbende. Ik sprak deze week nog verontwaardigde raadsleden over een actie van een oppositiepartij in hun gemeente die haar beperkte invloed in de gemeenteraad gaat compenseren met een referendum. Uiteraard met een U-bocht van een comité van boze burgers. Maar even goed spelvervuiling om een volksraadpleging te organiseren als je je zin niet krijgt in de volksvertegenwoordiging. Het idee achter het referendum dat burgers rationele wezens zijn die weloverwogen op basis van inhoud stemmen kan bijgezet in de Museum van Naïviteit.

Mensen zijn intuïtieve, emotionele wezens. Zij beoordelen leiders op basis van gedrag, hoe zij kijken, gebaren. Natuurlijk helpt duiding door experts daarbij. De boosheid over de lange zomerstop van de praatprogramma’s geeft aan dat mensen daar behoefte aan hebben. Columnisten in de krant schrijven daar met opvallend veel dédain over. Dat de beter opgeleide burger een programma als Pauw nodig heeft om tot een opvatting te komen wekt hun verbazing: daar is de krant toch voor? Gedeeltelijk: maar televisie maakt het mogelijk om alle non-verbale communicatie waar te nemen. Dat lukt een krant echt niet. De krant is taal. En journalisten overschatten de kracht van taal en onderschatten de kracht van beeld. Dat deze programma’s juist door de wisselwerking tussen de gasten de duiding bevorderen – op een heel efficiënte manier: binnen een half uur observeren van het gedrag aan tafel bij Pauw weet je het wel zo’n beetje – legt twee zaken bloot: mensen hébben behoefte aan duiding, aan gidsen. En dat voor de minder hoog opgeleiden een dergelijke duiding compleet ontbreekt ontgaat blijkbaar iedereen. Humberto Tan draait de hele zomer door, maar wordt niet genoemd als alternatief. Hoge kijkcijfers, maar politiek niet van belang.

Opvallend is hier dus ook de omkering: waren tot begin jaren zeventig politiek leiders als Den Uyl juist de gidsen voor de groepen zie zowel hoog als laag op de maatschappelijke ladder stonden, nu zijn deze leiders de gidsen enkel voor de hoger opgeleide burgers en zijn de mensen voor wie de horizon wat dichterbij is en minder overzicht hebben over de ontwikkelingen in de wereld aangewezen op Facebook waar meningen verward worden met feiten. Sterker nog, met hun veroordelingen versterken Rutte en Asscher de kloof tussen “hoog” en “laag”.

Hoe dan wel? Ten eerste is het niet moeilijk om de polarisatie nog verder op te voeren. De verleiding is ook groot. Plat racisme mag immers niet onweersproken blijven. Maar besef dat je dan weggezet wordt als Gutmensch wat een verdere tweedeling triggert: precies waar de boekhouders van de woede op uit zijn.  Kortom: een doolhof van dilemma’s.

Daarom deze week nog geen conclusie, laat staan “oplossing”. Maar een zesde les:

6. Boosheid heeft zijn wortels in ontbreken van vertrouwde gidsen die hoog en laag met elkaar kunnen verbinden.

De boze burger: exoot of nobele wilde

“De boze burger is de vervolmaking van de democratie. Hij doet het alleen wel op zíjn manier.” Mijn gesprekspartner doet vrij luchtig over alle boosheid in de samenleving. Wij lopen samen van mijn kantoor in een buurt met vrij veel boze burgers naar een afspraak. We passeren de Prijzenmepper, een Turkse döner-bakker, de Lidl-supermarkt. Ik vertel hem dat ik onlangs het begrip De Boze Burger op een onderzoeksagenda had zien staan. De Boze Burger als onderzoeksobject. Zelf heb ik ook de behoefte om het dna van de boze burger te ontcijferen, vooral om te weten welke interventies om deze buurten op te stoten in de vaart der volkeren niét werken. Want de boosheid komt vaak tot uitdrukking op wijkvergaderingen waarin goedbedoelende professionals de zoveelste boodschap komen uitventen.

In de Volkskrant dit weekend een schets van een vergelijkbare wijk in Leeuwarden en hoe wijkbewoners daar zelf het initiatief naar zich toe proberen te trekken, met medewerking van de gemeente, maar ook wel met aarzelingen. Je proeft bij de journalist de sympathie voor de zelfbenoemde opbouwwerkster, zelf opgegroeid in de wijk, door studie ontsnapt aan haar milieu maar nu weer teruggekeerd om zelf de hand aan de ploeg te slaan. Doe-het-zelf-democratie moet het zijn. En al die bemoeizuchtige professionals moeten hun biezen pakken en de overheid kan zeker beter op afstand blijven.

Ik aarzel. De one-liners-cultuur leidt ook tot risico’s op versimpeling. De opbouwwerkster in kwestie is immers een heel grote uitzondering. Deze week een thema-nummer van de Groene over de toename van de kloof tussen hoog- en laagopgeleid. Sociale klimmers zoals die opbouwwerkster worden niet alleen zeldzamer, als het ze lukt te gaan studeren, dan is het niet vanzelfsprekend dat ze zich inzetten voor de “achterblijvers”, die boze burgers. Mocht je als kansarme er in slagen om de overstap te maken naar de wereld van de kansrijken, dan is het opbreken van je carrière als jurist in het bedrijfsleven sterk afwijkend. Daar kun je geen beleid op funderen.

Om te beginnen met de eerste ontrafeling van dat boosheids-dna: deze week kreeg ik zelf erge last van boosheid. Twee berichten: in 2015 vielen er 20 doden meer in het verkeer, en kinderen uit laagopgeleide milieus gingen veel minder vaak studeren. Het eerste bericht is een schoolvoorbeeld van politieke arrogantie. Die 20 doden meer vielen precies op die trajecten waar de maximum snelheid was verhoogd tot 130 km per uur. Dûh!  Maar de minister was niet onder de indruk: ze gaat stug door. Nadat 30 jaar lang de verkeersveiligheid enorm toenam, jaar in jaar uit, schrikt ze niet van deze trendbreuk in statistiek. Terwijl alle deskundigen dit effect precies zo hadden voorspeld. 20 doden extra per jaar! 20 families in diepe rouw, verscheurd door verdriet worden ontkend opdat we het gaspedaal maar dieper mogen intrappen voor drie minuten tijdwinst van Amsterdam naar Den Bosch. Daar kan ik heel erg boos over worden.

Ook om boos over te worden: 8000 middelbare scholieren minder dan voorgaande jaren begonnen aan een studie. Oorzaak: de invoering van het leenstelsel in de studiefinanciering. Ook de minister die dit had bedacht gaf geen krimp: het zou de luwte na een soort boeggolf zijn omdat het jaar ervoor scholieren géén tussenjaar namen om nog te profiteren van de “gratis” studiefinanciering. Dat dit één van de vele losgeschoten treden is van de trap waarop mensen maatschappelijk konden opklimmen dringt niet door. Twee keer boos in één week: slecht voor de gezondheid.

Als we smalen over de “fact free politics’ van Trump, mogen we de hand ook in eigen nationale boezem steken. Ministers die alle goed gefundeerde waarschuwingen van experts in de wind slaan en de uitkomsten van onderzoeken naar de effecten onmiddellijk bagatelliseren zijn het bewijs dat die fact free politics ook bij ons vaste voet aan de grond heeft gekregen.

Les 1. Boosheid heeft zijn wortels in niet serieus genomen worden.

Volgende week verder.

Helden en slachtoffers, deel 3

g88b_HansBrinkerHet kan nog een jaartje duren, maar de soap rond de Hedwige is nog niet afgelopen. Er valt formeel niet meer te ontsnappen aan het definitieve besluit tot ontpolderen, maar als dat valt zal de tegenbeweging weer op gang komen. Het is een loepzuiver voorbeeld hoe je als bestuurder bij voorbaat op achterstand kunt staan bij wat in het Duits zo treffend Gesundenes Volksempfinden heet. Zeker als een kleine Gideonsbende met mediawind in de zeilen de zaak nog eens breed kan uitspinnen. De media opereren met de wetten van het heldenepos in de hand; om de lezer het verhaal in te trekken heb je tegenstellingen nodig: wie is de held, wie zijn de slachtoffers, wie is de schurk en wie complotteert tegen wie?

Iconische slachtoffers zijn kinderen, ouderen, gehandicapten, dieren. Maar wat nieuw lijkt, is dat we die kwetsbaarheid op weerbare groepen gaan projecteren. Niet de trekvogels, maar de boeren zijn de nieuwe slachtoffers. Niet de vluchtelingen, maar de burgers van de gemeenten waar de noodopvang komt, niet de Oekraïners die meer democratie willen in plaats van corruptie, maar mondige weerbare Nederlanders. Een opvallende kanteling van kwetsbaar naar het Dikke Ik. En door de wederzijdse afhankelijkheid van actievoerders en media hebben die Dikke Ikken, de verontwaardigde burgers die zich bedreigd voelen, ineens wind mee.

Als Jan Roos suggereert dat onze kleine polder bedreigd wordt door een verdrag van Europa met Oekraïne, dan past dat exact in het frame van het heldenepos. Een kleine dappere matroos, die als een Hansje Brinker zijn duim in het gat van onze dijk steekt en verhoedt dat nog meer ellende van ver weg ons land binnen stroomt, is de gedroomde held. Iedereen die zijn vingers naar hem uitsteekt verliest bij voorbaat.

Daarmee ben ik nog geen fan van de voorstanders van het verdrag. Als Juncker met hel en verdoemenis dreigt als het verdrag met Oekraïne schipbreuk leidt, begrijp ik de tegenstemmers wel. Bestuurders die nog steeds niet begrijpen dat je aan het kortste eind trekt als je niet tijdig met burgers communiceert zijn een groter risico dan Jan Roos omdat zij hem daarmee een podium bieden.

Lastig is dat in alle tumult de vraag wie de werkelijk kwetsbare is uit het zicht verdwijnt nu we meer en meer gefocust raken op het “eigene”. De aandacht voor het kleinschalige, ambachtelijke verschuift met een tussenstap via het authentieke en oorspronkelijke naar “eigen soort”. Solidariteit verdampt. Je kunt niet met de hele wereld solidair zijn, wel met de buren. En de buren van de buren. We zetten een hek om de groep heen waar we ons mee verwant voelen en sluiten in één beweging anderen buiten.

En jazeker: de creativiteit zit nu op rechts. Dat valt niet te ontkennen. Maar griezelig is het wel: Pegida die goochelt met een hakenkruis op een spandoek. Mutsen inde vorm van varkenskoppen. Er werden vergelijkingen getrokken met de ludieke acties van Provo die demonstreerde met blanco spandoeken en rozijnen uitdeelde. Het fundamentele verschil is dat Provo actie voerde tegen de bestuurlijke élite en Pegida kwetsbare groepen beledigt.

Daarmee wordt het lastig om een participatiesamenleving te bouwen waar die wellicht wat ouderwetse solidariteit zo nodig is. Omzien naar elkaar in plaats met grote bekken tegenover elkaar te staan: wie zet de eerste stap om de hekken rond de eigen groepjes af te breken?