Categorie archief: Hulpverlening

Barabas!

A6-voorkantNa veertig jaar was het of het stof van het lijdensverhaal werd afgeblazen. Een bomvolle Westerkerk luisterde naar de uitvoering door het Amsterdams Studentenkoor. Niet eerder hoorde ik hoe het intens verdrietige Erbarme dich omkringeld werd door een viool die meeging in het klagen, maar tegelijkertijd ook een ondertoon van hoop in zich had. Alleen de soliste en de violist vulden met hun stem en de viool de hele ruimte in een trage muzikale dans waarin klagen en troost om beurten het voortouw namen.

Als kind heb ik het lijdensverhaal met de paplepel ingegoten gekregen. Elk detail van dit verhaal kende ik, uitentreuren. Van het laatste avondmaal tot aan de wederopstanding, met alle verraad en lijden erbij. Overdaad schaadt: het kon mij niet meer boeien. Natuurlijk zong ik als kind Oh hoofd bedekt met wonden mee, maar mij werkelijk verplaatsen in een lijdende Christus, dat bracht ik niet op. De hele intrige kwam mij erg gekunsteld over: een zoon van god die mens wordt, daarna wordt gemarteld en daaraan overlijdt, maar na drie dagen weer rondloopt en uiteindelijk opstijgt naar de hemel. En door dat lijden de last van onze zonden wegneemt. Hoe zo? Het lijden was toch niet verdwenen uit de wereld? En die hemel: waar kon ik vinden dat we daar daadwerkelijk heen zouden gaan?

Maar nu, met een scherp en helder articulerende evangelist die het publiek meenam langs elke gebeurtenis, zag ik niet alleen hoe filmisch het verhaal is, maar ook actueel. Hoe scene na scene in de aanloop naar de kruisiging Jezus de hele film al gevisualiseerd had, wist waar en wanneer Judas en Petrus hem gingen verraden. Hij zag er als een berg tegenop. Dramatisch ijzersterk. Want het is het verhaal van onze eigen dood, uiteindelijk. Die voorkennis hebben wij net als Jezus: ook wij gaan sterven. Daarmee is het lijdensverhaal ons eigen verhaal. Erbarme dich is in feite een geoorloofd zelfmedelijden. Van Bach mogen we huilen om ons lot, en hij troost ons ook meteen met hemelse muziek.

Maar wat mij vooral treft zijn de scenes waarin het koor eerst roept dat Barabas in plaats van Jezus moet worden vrijgelaten en daarna dat Jezus gekruisigd moet worden. Het is geen boos koor, geen woedende menigte, maar eerder een enthousiaste meute die geniet van de macht die Pilatus hen toebedeelt. Ik let op de gezichten van koorleden. “Zegt ’t maar”, zegt Pilatus: “Ik zie geen kwaad in deze man, maar zeg ’t zelf maar.” Dat laat het volk zich geen twee keer zeggen. De ogen van de koorleden staan fel, het lijkt een tribune van fans van de winnende partij in een stadion. Ik schrik er bijna van hoe sterk de toon en het beeld overeenkomt met de beelden van de schreeuwers van “AZC weg mee”. Bach moet meegemaakt hebben hoe een opgewonden menigte zich gedraagt, welke toon daarbij hoort. Het triomfantelijke van de woede van een meute die macht ruikt en wil afrekenen.

In de Mattheus trekken de aanstichters van de kruisiging zich uiteindelijk de haren uit hoofd als ze zich realiseren – door het scheuren van een groot gordijn in de tempel, zes uur duisternis, flinke aardbevingen en een optocht van levende doden – wat zij hebben gedaan: niets minder dan God gedood. Zo’n afloop kent alleen een goede film met God zelf in de hoofdrol.

Het lastige is dat God het niet meer voor het zeggen heeft. Ook niet als hij Allah heet. De ooit almachtige legt het af tegen criminelen die zich met bommen een sluiproute naar het paradijs banen, tegen rücksichtsloze mensensmokkelaars, tegen vreemdelingenhaat, tegen drenkelingen, tegen prikkeldraad. Alleen een schrijver van het niveau van Shakespeare zou uit de voeten kunnen met de hedendaagse weerbarstige werkelijkheid. Wie is Judas, wie is Petrus, wie is Pilatus, wie zijn daders, wie worden geofferd? En vooral: welke rol spelen wij zelf? Toeschouwers zijn wij, machteloze toeschouwers.

Het minste wat we kunnen doen is de vluchtelingen die hier aankomen goed opvangen. Vrijwel elk dag zie ik in wijkcentra vrijwilligers met kleine groepjes Syriërs, Iraniërs, Afghanen aan de slag om Nederlands te leren. In het grote drama is dat een heel nederige rol. Toch is het toch erg belangrijk om het optimisme en het geloof in de toekomst vast te houden. Bach had daar geen noot aan gewijd. Eeuwige roem verwerf je er niet mee. Maar die eeuwigheid nam ik toch al met een korrel zout.

 

Dikke middelvinger

“Mijn moeder knikte ja en amen tegen de maatschappelijk werkster, maar zodra die haar hielen had gelicht…. Het is dat we toen nog niet het gebaar van de opgestoken middelvinger kenden…”. Lucie Kessens, opgegroeid in de jaren zestig als enig normaal begaafd kind in een gezin van zwak begaafde ouders en broers en zusjes, licht een tip van de sluier op over falende hulpverlening in een zogenaamde Woonschool.

“Mijn vader werd in de buurt een beetje met de nek aangekeken: hij had werk en hij was ook niet zo fors gebouwd, hij was geen vechtersbaas, dus hij verzette zich niet als de buren hem weer een oor aannaaiden.”

Het boek De Woonschool van Christel Jansen beschrijft dit beschavingsexperiment. Terwijl de vooroorlogse verbeteringswijken al lang gesloten waren, startten enkele gemeenten begin jaren zestig opnieuw: met verhuispremies werden zwakke gezinnen – “onmaatschappelijken”- verleid naar een buurtje met nieuwbouwwoningen. Ruim zestig gezinnen bij elkaar. Vol idealen ging het maatschappelijk werk aan de slag: lekker handig: iedereen zo dicht bij elkaar.

Binnen vijf jaar was duidelijk: dit werkt niet. Er was geen doorstroming, de bewoners behielden hun uitkering en beunden overal zwart bij. Kinderen werden, verwaarloosd, mishandeld, misbruikt. Als de schulden uit de hand liep greep het maatschappelijk werk in. Meestal door schulden te saneren.

“Als iemand uit een hogere sociale klasse jou gaat vertellen hoe je moet leven, dan doe je dat juist niet.” Lucie is te gast bij het project De Lange Adem in de Staatsliedenbuurt in Amsterdam. Wim Brands interviewt haar over haar jeugd in De Woonschool. Vragen uit de zaal: neemt zij het haar ouders kwalijk dat ze haar – en haar broertjes en zusjes – verwaarloosden, of konden ze het gewoon niet aan? Lucie is duidelijk: zij neemt het hen kwalijk: “Ze wilden gewoon weg niet, ze wilden hun leventje leiden in de marge, geen enkele ambitie.”

“Of was het onmacht?”, klinkt het uit de zaal. Als ze zwakbegaafd waren, dan konden ze het misschien ook gewoonweg niet. Lucie houdt vol: ze wilden het ook niet. Het antwoord blijft een beetje in de lucht hangen.

Kun je mensen – met een verstandelijke beperking – in een achterstandssituatie het verwijt maken dat ze niet willen? Voor je het weet beland je in het neo-liberale kamp die alle succes en falen op het individu projecteert.

Lucie vind dat de hulpverleners de verkeerde insteek kozen: proberen de financiën op orde te brengen, maar geen enkel wezenlijk contact. Ook niet met de kinderen. Juist niet. En dat steekt haar, nog steeds. “Doorbreek de cirkel: focus je op de kinderen.”

En laat de ouders in hun sop gaar koken zie je haar denken.

Diezelfde middag was er een debat in Schalkwijk in Haarlem over jeugdwerkeloosheid. Geen buurtje met zestig gezinnen, maar een wijk met 35.000 mensen waarvan een belangrijk deel werkloos. En dus ook de jongeren. Tweemaal zoveel dan gemiddeld in Haarlem.

Dezelfde thema’s die Lucie aan de orde stelde kwamen aan bod. Discriminatie op de arbeidsmarkt: de jongeren verschuilden zich achter dat argument. Solliciteerden ze dan wel? Werden ze vaak afgewezen? Nee, ze solliciteerden niet, en ja: ze wisten vooraf dat ze zouden worden afgewezen.

De jongeren komen vaak uit gezinnen op of onder de armoede grens. Cruciaal is het gebrek aan netwerk buiten de eigen kring, gebrek aan kennis over passende omgangsvormen. En dat alles verzwaard door uitsluitingsmechanismen in een samenleving waar afkomst er beslist toe doet, zowel in positieve als negatieve zin.

Inmiddels zijn er sociale wijkteams, en teams van het Centrum voor Jeugd en Gezin in de wijk actief. Hoe kunnen zij het verschil maken? Hoe kunnen we voorkomen dat we met een verhulde vorm van Woonschool bezig zijn? Gaan we de financiën redderen, voorkomen dat gezinnen door het ijs zakken? Of moeten we niet aan dode paarden trekken en al onze energie op de kinderen richten?

Ik ben er nog niet uit. Want kinderen hebben goede ouders nodig. Maar wat als die ouders onmachtig zijn?

Lucie vertelde dat zij niet uit huis geplaatst had willen worden, ook al was het er niet fijn. Haar pleidooi is simpel: zorg voor meer steun om het gezin heen, een vertrouwenspersoon zoals de moeder van een vriendinnetje waar ze kon zien hoe het wel kon, waar ze aandacht kreeg, waar het huis schoon was, waar ze af kon kijken hoe mensen op een fijne manier met elkaar om gingen.

In de directe omgeving van het gezin van dit soort steunpilaren organiseren, misschien hen zelfs een onkostenvergoeding geven als ze de opvoeding gedeeltelijk “overnemen”, zou wel eens veel meer resultaat kunnen opleveren dan ouders proberen te leren hoe het moet.

De situatie van deze kinderen is niet minder nijpend dan die van Lucie veertig jaar terug, ook al zijn hun kleren niet stuk, stinken zij niet en zijn hun haar geen ongewassen klittenbollen. Misschien maakt dat het nog wel ingewikkelder: armoede en achterstand is niet meer zichtbaar. Bleekneusjes zijn er niet meer. Maar de risico’s op een vicieuze cirkel van achterstand zijn niet minder.

Laten we leren uit het verleden, voordat de jongeren van nu over veertig jaar een larmoyant verhaal vertellen over hulpverleners die met de beste bedoelingen net de verkeerde dingen deden.