Categorie archief: Gedicht

tijd

mensen leven te lang

zegt ze met gesloten ogen

het hoofd achterover leunend

tegen de rug van de stoel

 

er dringt geen geluid

van buiten door

de pendule van de hangklok

zwaait de tijd met

trage streken weg

zonder dat er een teken

op de muur achterblijft

 

elke minuut is

als de voorgaande

en de volgende

 

ik hou mijn adem in

 

thuiszorg

diep in zijn gedachten was hij god,

dat wist hij redelijk zeker, maar

wat heb je daaraan als je aan je stoel gekluisterd

bent met de eindeloze tijd voor je

 

hopmarjanneke stroopintkannneke

laat de poppekens dansen

 

sinds zijn laatste hartinfarct stond

zijn rollator werkloos onder de kapstok

op de gang naast de voordeur

 

diep verborgen in de rechterleuning

van zijn fauteuil een compleet universum

dat hij zelf ooit had bedacht

 

hé, god hier, over,

horen jullie mij, over

 

maar nu, hij geeft een harde klap

op de leuning en roept luidkeels verdomme,

hij kan net zo goed op zijn kop gaan staan

 

jesus christ super star

who do you know etcetera

 

zijn schepsels zijn vol van hun eigen sores

onwetend van hun nietigheid

zonder enig benul van hem

 

as van zijn sigaar dwarrelt

op het vlekkerige vloerkleed

stijf van het vuil

 

want tja, hoe kom je als

alleenstaand god aan goede

huishoudelijke hulp

 

———————————–

zo stel ik mij god voor

op dagen dat iedere vorm

van troost welkom is

Ver

we klommen stap voor stap

de vallei uit

de witgele strepen volgend

soms halfverscholen onder

de klimop en braamstruiken

het geluid van een maaimachine en

het hakken van hout

blijft achter

ook het gepiep van mussen en het

lispelen van puttertjes

wordt minder

 

tussen twee rotspieken door

betreden we een komvormig dal

met enkel paarden en koeien

verspreid staan hun winterschuren

het geluid waarmee zij met hun sterke lippen

het gras afscheuren

begeleidt het knerpen van grint

onder onze voeten

 

hoog boven ons het gebrom

van een intercontinentale vlucht

het twispelende tjilpen van het puttertje

herken ik inmiddels feilloos

als het piepen van een driewieler

die nodig gesmeerd moet worden

ook de fitis en de tjiftjaf

begin ik te leren

de vale gier

herken ik aan zijn vlucht

maar zal ik nog verder investeren

in het leren kennen van

deze laatste restjes wilde dieren

of zal ik mij de spijt besparen

dieren te hebben gekend

vlak voor hun definitieve

verdwijnen

 

hé, daar, dat is toch een hop?

Huis

 

De deur geeft mij een hand en

noodt mij galant

binnen met een brede zwaai.

Dag, zegt de stoel naast de tafel,

neem plaats en vertel.

De theepot glimt, de kopjes verdringen zich om

mijn handen te mogen warmen.

De lamp boven de tafel

sluit het duister buiten.

Verhalen, van vroeger. Toen ik als peuter

verstoppertje speelde met de stralen van de zon

die schenen op de lakens die mijn moeder aan het strijken was.

Toen we op het hete deksel van de kolenkachel

korstjes kaas lieten opzwellen om pff pff op te eten.

Toen elke dag aan tafel uit het zwarte boek werd voorgelezen

over de reus op lemen voeten, over de verloren zoon,

over Jozef en Mozes, over Saul en Simson.

En over het teken aan de wand

gewogen en te licht bevonden.

Ik maak wat foto’s voor de makelaar,

schuif een stoel aan, trek een kleed recht.

Het geluid van mijn voetstappen wordt

niet meer gedempt door ander leven.

 

Het huis is nu

aan zichzelf

overgeleverd.

 

(voorlopig geen blogs maar gedichten)